Het METABLETISCH TIJDSGEWRICHT 1859
laat zien dat de metabletische idee buiten J.H. van den Berg
een eigen leven kan leiden.
Het ontstaan van anorexia nervosa, de popularisering van de sigaret en het langer worden van de menselijke gestalte
geven nieuw inzicht aan het metabletisch tijdsgewricht 1859.
Het speculeren is allerminst levensvreemd,
wanneer het met de verwondering verband houdt;
het is de hoogste of althans de meest intense vorm van leven. Denken is bij het leven betrokken zijn
tot aan de rand van zijn identiteit;
het vertegenwoordigt het grootste waagstuk
dat een mens kan ondernemen
en is een uiting van de sterkste vitaliteit.
Cornelis Verhoeven in Inleiding tot de verwondering
Er zijn tijdsgewrichten
dat in een korte tijdruimte
door de samenloop
van verschillende gebeurtenissen
veel zaken een keer nemen.
1859 is zo een tijdsgewricht.
Achter synchrone voorvallen
gaat een ordening schuil
die zich wil manifesteren
Inleiding
Sinds J.H. van den Berg onze cultuur in 1956 verrijkte met een nieuwe benadering van de werkelijkheid weet men zich geen raad met zijn geesteskind de metabletica.
Eerst zou het te wijten zijn, dat er geen methode was, maar na openbaring van zijn methode in 1968 werd het niet veel beter, ook niet wanneer anderen de methode uit de doeken deden zoals van Spaendonck in 1975 en Ouweneel in 1991.
Hub Zwart maakt in zijn indrukwekkende boek over Van den Berg Boude bewoordingen 2002 er geen thema van, dat de metabletische methode eveneens door anderen is te hanteren.
‘Het metabletisch tijdsgewricht 1859’ wil aan de hand van verschillende personen, die zich met dit tijdsgewricht bezighielden, laten zien dat de metabletische idee buiten Van den Berg een eigen leven kan leiden.
Metabletisch resultaat is nooit definitief.
‘Het metabletisch tijdsgewricht 1859’ wordt eveneens bezield door de poging er een nieuw inzicht aan te ontlokken of beter en bescheidener gezegd; aan de inzichten van Harry van der Bruggen, Willem Ouweneel, F. de Graaff, Jacques Claes, Walter Vandereycken en benevens aan die van J.H. van den Berg iets toe te voegen.
Een constante is vanaf het begin tot nu, de metabletica af te schilderen als een eenmanszaak.
J.H. van den Berg een eenling
de metabletica een eenmanszaak?
De eerste die de metabletica exclusief aan J.H. van den Berg vastnagelde was de psycholoog P.J. van Strien.
In 1965 in een boekbespreking over Leven in meervoud, het vierde in de metabletische reeks, noemt van Strien de metabletica een privé-wetenschap van Van den Berg.
Ten eerste vanwege methodisch onvermogen; het metabletisch arrangement is alleen aan de meester (van den Berg) toevertrouwd.
Ten tweede de veranderingen die de metabletica onderzoekt worden vanuit een waarde oordeel waargenomen.
Om op grond van waardeoordelen die inherent aan de metabletica zijn, de metabletica af te keuren, komen we telkens weer tegen. Een eigen waardering is blijkbaar verboden in de wetenschap. Alhoewel we niets anders doen in ons leven dan mensen en dingen waarderen. Het innemen van een persoonlijk standpunt is zelfs een waardevolle eigenschap, maar in de wetenschap is ze taboe. Deze eenzijdige kijk probeert de metabletica en mijns inziens terecht te doorbreken en te rectificeren.
De gevestigde wetenschap wil geen moraal; is ze daarom immoreel?
In 1969 was Penning de Vries de tweede. In een bespreking van Metabletica van de materie ziet hij dit boek als metabletische geschiedschrijving en vindt de metabletica wetenschap met één professor.
Penning de Vries vindt deze professor een meester in de metabletica met veel lezers als leerlingen.
Piet Vroon was in 1980 de derde in een bespreking van een boek door de filosoof Theo de Boer Grondslagen van de kritische psychologie.
De Boer behandelt het historisme en laat deze onderzoekers beweren dat de mens en de werkelijkheid voortdurend verandert, zodat het zoeken naar algemene wetten zinloos is. Vroon heeft de opvatting dat het historisme tot op zekere hoogte is verbonden met de metabletica en vindt het vreemd dat de Boer geen melding maakt van de tientallen boeken die onze enige metableticus, J.H. van den Berg, heeft geschreven.
In een boekbespreking over Leven in Meervoud hield Theo de Boer nog een pleidooi voor de metabletische werkwijze. Toen de metabletica niet het aanzien kreeg dat hij ervan verwachtte, verzaakte hij om deze benadering te noemen. Hoort men eenmaal zelf bij het establishment dan kan men zich niet permitteren om als voorstander van de metabletica bekend te staan.
Om de omissie van de Boer recht te trekken noemt Vroon in zijn recensie over het boek van de Boer de term metabletica verscheidene malen. Piet Vroon toont ook op vele andere plaatsen dat hij sympathiserend met de metabletica van Van den Berg is.
Peer Vries was in 1988 de vierde in een analyse naar aanleiding van Carlo Ginzburg, ‘Sporen. Wortels van een indicatieparadigma’.
Bij ‘Sporen’ van Ginzburg geldt de veronderstelling dat ogenschijnlijke details significant kunnen zijn wanneer de onderzoeker ze maar op hun significantie onderzoekt. Microstories met spiegelende details als een microcosmos van de gehele cultuur. Analyse van een focal point kan ons fundamentele inzichten verschaffen in het functioneren van samenlevingen in hun geheel.
Onder invloed van de ideeën van Freud en Foucault spreekt men vaak over het ongezegde of het verdrongene dat licht werpt op de geschiedenis en functioneren van personen of samenlevingen en dat zich vaak in ogenschijnlijk irrelevante details toont.
Het onuitgesprokene of het marginale zou juist essentieel zijn. Deze visies vinden veel aanhangers.
Het lijkt er voor Vries sterk op dat datgene wat J.H. van den Berg, Nederlands beroemdste en enigste metableticus, het beginsel van het unieke voorval en het beginsel van de beklemtoning noemde, weer in ere is gesteld. Je zou verwachten dat Vries een historicus uit Leiden daar meer aandacht aan gaf, maar Vries beperkt zich tot deze zin. Wat vreemd wanneer men beseft dat J.H. van den Berg 25 jaar in Leiden doceerde.
Mathijs van Boxsel was in 1999 de vijfde in zijn brochure Morosofie, onderdeel van zijn encyclopedie van de domheid is metabletica een eenmanstheorie die alles in de wereld en daarbuiten meent te kunnen verklaren. Dit oordeel heeft van Boxsel geleend van Piet Grijs uit zijn bespreking ‘Parallellen snijden geen hout’ uit 1969 over Metabletica van de Materie. In 1969 kon men dit nog terecht zo stellen maar sindsdien beslist niet meer.
Tot de huidige tijd meent men dat Van den Berg als het ware octrooi op de metabletica heeft. Daarvan gaf Wim Derksen in een boekbespreking over Boude bewoordingen in 2003 nog eens blijk door te stellen dat Van den Berg in wetenschappelijk opzicht een eenling is gebleven.
Men hoeft niet te ontkennen dat de vader van de metabletica een solist is. Dat gaat immers niet anders wanneer je een verkenner in onbetreden gebied bent. Houdt men zich bezig met uitzonderlijke gebeurtenissen verandert men zelf in een uitzondering en is de metabletica onmiskenbaar een zonderlinge zaak.
De metabletiek is geen particulier eigendom, waar een ander geen recht op heeft, maar het wil niet zeggen dat Jan en alleman er geschikt voor is om deze eigenzinnige methodiek toe te passen. Andere eenlingen worden er niet van weerhouden om ook de metabletische methode te hanteren.
Op goede gronden.
Marius Jacobs toetste aan zijn eigen vakgebied, de botanica, de inhoud van de belangrijke metabletische omslagjaren; deze omslagjaren werden aan de geschiedenis van de botanica bevestigd en daarmee bevond Jacobs de metabletica wetenschappelijk legitiem.
De filosoof Cornelis Verhoeven schreef naar aanleiding van De wieg van het verdriet, dat deze publicatie van Jacques Claes liet zien wat de metabletische methode aan het licht kan brengen wanneer ze bekwaam gehanteerd wordt.
Mede geïnspireerd door deze positieve waardering tonen we dat Jan Hendrik van den Berg geen eenling is en de metabletica geen eenmanszaak.
Alleen al vijf personen, buiten Van den Berg, hielden zich bezig met ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’. We beginnen met Harry van der Bruggen vervolgen met Willem Ouweneel>Jan Hendrik van den Berg>F. de Graaff>Jacques Claes en Walter Vandereycken.
Harry van der Bruggen
Harry van der Bruggen werd in 1943 geboren. In 1970-’74 volgde hij een beroepsopleiding tot verpleegkundige. Na een half jaar arbeid in een van de ziekenhuizen in Londen, studeerde hij verplegingswetenschap aan de Université de Lyon 11, met als een van de hoofdvakken maatschappelijke gezondheidszorg, en ethnopsychiatrie als een van de bijvakken. Het diploma werd behaald in
oktober 1976. Vanaf augustus 1980 is hij universitair docent, verbonden aan de vakgroep Verplegingswetenschap, werkzaam bij de Maastrichtse universiteit, waar hij een doctoraal in de gezondheidswetenschappen behaalde in juni 1985, waar hij eveneens. in 1991 promoveerde.
Kennismaking met het werk van Van der Bruggen

Harry van der Bruggen
Amateur-metableticus
Omstreeks 1980 bestond bij mij veel belangstelling voor metabletisch werk, maar mistte een metabletisch studiecentrum met tijdschrift.
In die tijd had ik contact met Marius Jacobs, een vriend van J.H. van den Berg en in een gesprek met Jacobs, verwachtte die als mogelijke volgende publicatie van Van den Berg iets over Darwin.
Zo werd ik door Jacobs er op geattendeerd dat Darwin als metabletisch significant werd gezien. In 1984 werd door J.H. van den Berg Koude rillingen over de rug van Darwin aan Marius Jacobs opgedragen. Jacobs had zelf een prachtig op de metabletica en fenomenologie geïnspireerd boek over Het tropisch regenwoud gepubliceerd. Schreef vele artikelen waarvan een drietal op de metabletica zijn georiënteerd.
Marius Jacobs is in 1983 plotseling overleden.
In de openbare leeszaal te Zwolle zag ik het ‘Tijdschrift voor ziekenverpleging’ van augustus 1983 en op het omslag las ik ‘Florence Nightingale en haar visie op verplegen in relatie tot het leven en werk van Charles Darwin’. Aangetrokken door de naam van Darwin begon ik het artikel van Rob van der Peet te lezen.
Tot mijn verrassing ging dit artikel in op een boek van Harry van der Bruggen De verpleging in Nederland en het werk van Jan Hendrik van den Berg. Van der Peet gaat met zijn artikel in op de metabletica van het verplegen zoals van der Bruggen die in zijn boek ontwikkelt en schrijft: “Van der Bruggen gaat deze gebeurtenissen te lijf met behulp van de metabletische methode. Enige creativiteit kan hem niet ontzegd worden, maar mijns inziens (van der Peet) hoort het boek Notes on Nursing door Florence Nightingale niet in zijn rijtje van invloedrijke gebeurtenissen thuis”.
Van der Peet betoogt dat Florence Nightingales invloed op het verloop van de geschiedenis veeleer terug te voeren is op haar activiteiten dan op haar ideeën zoals die in Notes on Nursing beschreven staan.
Van der Peet is schrijver van diverse leerboeken over verpleging. Zijn artikel is de énige reactie in geschrifte die het boek van Van der Bruggen opleverde.
Harry van der Bruggen over het jaartal 1859
Van der Bruggen is de eerste die met een aantal unieke voorvallen op de proppen kwam die voor het jaartal 1859. metabletisch significant zouden zijn in zijn publicatie van 1979 De verpleging in Nederland en het werk van Jan Hendrik van den Berg. Het boek loopt in het laatste hoofdstuk uit op een metabletica van het verplegen maar wel met een vraagteken?
Zowel met eigen onderzoek als uit de verzameling van Van den Berg komt Van der Bruggen tot acht gebeurtenissen.
Een. Aanwezig bij de slag van Soferino in 1859 krijgt Henry Dunant de ingeving om zoiets als het internationale Rode Kruis op te richten. Hoe hij er toe kwam legde hij neer in Un souvenir de Soferino 1862.
Twee. In 1859 verschijnt van Charles Darwin The origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life.
Drie. In 1858 verschijnt Die Cellularpathologie und ihre Begrundung auf Physiologische und pathologische Gewehbelehre van Rudolf Virchow.
Vier. In 1859 verschijnt Notes on nursing, what it is, and what it is not van Florence Nightingale.
Als verpleegkundige is Florence Nigtingale de invalshoek van Van der Bruggen met de vraag: “Komt Notes on nursing in aanmerking om opgenomen te worden in een metabletische verhandeling”?
Vijf. In 1857 verscheen in boekvorm Madame Bovary van Gustave Flaubert

Dit boek is uit het cv van
Van der Bruggen bij zijn promotie
van Patient, privaat en privacy verdwenen.
Zes. Karl Marx publiceerde in1859 Zur kritik der politische Ökonomie.
Op gezag van wat in elk van deze zes voorvallen speelt komt Van der Bruggen tot een verklaringsgrond met de formule ‘De zwakke enkeling krijgt een stem’.
Maar Van der Bruggen bekijkt dezelfde reeks gebeurtenissen opnieuw en beoordeelt dan dat de gemeenschappelijke noemer ‘Gelijkheid’ is en blijft zitten met de vraag wat is nu de metabletische criteria om te beoordelen wat de juiste verklaring is.
Zeven. In 1859 werd in Pennsylvania door Edwin Drake de eerste oliebron aangeboord. Met de toevoeging van deze gebeurtenis, is er nog een andere interpretatie mogelijk van; ‘1859 is het startsein van de tijd van de grote mannen’.
Van der Bruggen wil nog een vierde verklaring geven met als kenmerkende term ‘Realisme’.
Van der Bruggen probeert meer greep op de metabletische methode te krijgen door middel van het artikel van Van den Berg ‘Geestelijke gezondheid, metabletisch-historisch beschouwd’, waarin hij zijn metabletische werken via zeven mijlpalen in een antropologisch perspectief zet. Daarin zegt Van den Berg dat: “Metabletica als een vorm van geschiedenis gekenmerkt is door twee eigenschappen. Ten eerste, deze eigenschap dat in de geschiedbeschouwing de nadruk valt op het menselijk aspect. De tweede eigenschap bestaat hierin dat de veranderingen die in het menselijk bestaan historisch hebben plaatsgevonden aanmerkelijk meer als echte veranderingen worden gezien dan gewoonlijk in de geschiedenis gebruikelijk is”.
De metabletische methode verklaart, doet begrijpen. Zo wil van der Bruggen het ontstaan van de moderne verpleegkunde zinvol begrijpen, want dat is de drijfveer voor Van der Bruggen, maar als metableticus vindt hij zichzelf een amateur.
Hij is niet in staat het subjectivisme van zijn verklaringen te overwinnen en bedrijft daarom volgens zichzelf als dilettant-metableticus geen wetenschap en zou dat ook niet doen wanneer hij een bedreven metableticus zou zijn geweest. Het houvast dat het verificatie-beginsel biedt is afwezig.
Acht. Het eerste stripverhaal van Wilhelm Busch verschijnt. En dit gegeven kan Van der Bruggen helemaal niet integreren in zijn verklaringen over 1859.
Zijn samenvatting besluit hij met: de vraag of er een metabletica van het verplegen te ontwerpen zou zijn. Bij de beantwoording ervan stootte hij op de moeilijkheid, dat met de metabletische methode geen verificatie mogelijk is. Dit wil voor Van der Bruggen niet zeggen dat ze waardeloos is. Bij zijn benadering bleek dat het ontstaan van de moderne verpleegkunde zinvol is te begrijpen in verband met enkele andere belangrijke gebeurtenissen.
Andere metabletische themas
Van der Bruggen wijst in zijn boek op twee andere aspecten betreffende de metabletica van Van den Berg; namelijk op het belang van het onderschrift van De Reflex 1973 ‘metabletische tegelijk maatschappijkritische studie’. Maatschappijkritiek kreeg vanaf 1973 inderdaad een grote impact op de metabletische reeks van Van den Berg. Dat blijkt onder meer uit Gedane Zaken 1977, dat afweek van de oorspronkelijke opzet, vanwege de maatschappelijke gebeurtenissen van de laatste jaren gaat Gedane Zaken dieper in op maatschappelijke problemen.
Om duidelijk te maken in welke richting de kerkbouw na Metabletica van de materie 1968 zich beweegt gaat het nawoord van Hoogte in de kerkbouw 1981 over de kerk bij de Cistercienzer Abdij Sint Sixtus te Vleteren, waar Van den Berg enkele dagen te gast was, zijn verhaal eindigt met het antwoord op de vraag: Wat deed de abdij met uw gast? U gaf hem een paar lessen moderne maatschappijleer.
In Koude rillingen over de rug van Darwin 1984 is niet de waarheid in het geding maar een maatschappelijk proces. De maatschappijkritiek lijkt met Hooligans 1989 zijn culminatiepunt te bereiken.
En in het boek van Van der Bruggen lazen dat hij met het werk van Van den Berg in 1974 op drie manieren in aanraking kwam.
Door twee recensies in het ‘Tijdschrift voor ziekenverpleging’ over De metabletische methode van S.T. Parabirsing.
Bij de colleges die van der Bruggen in Frankrijk volgde werd Metabletica ten zeerste aanbevolen.
En hij maakte kennis met Psychologie van het ziekbed. Sinds 1974 heeft hij belangstelling voor het werk van Prof. J. H. van den Berg en in betrekking daarmee zegt hij het volgende: “Sinds dit merkwaardige jaar 1974 (een samenloop van omstandigheden, of een coïncidentie met metabletische betekenis?)”.
Met deze zin lijkt van der Bruggen in zijn boek over Van den Berg te suggereren dat de persoonlijke geschiedenis ook metabletisch te duiden is.
De verpleging op het glibberige pad
Toen ik het boek van Van der Bruggen bij uitgeverij De Tijdstroom bestelde vertelde men mij dat Van der Bruggen in het eveneens bij deze uitgeverij verschijnende tijdschrift ‘Metamedica’ een metabletisch artikel had gepubliceerd.
Harry van der Bruggen zag wel in dat er met de benadering van Van den Berg resultaat viel te behalen en vervolgde zijn metabletische pad en schreef ‘De verpleging op het glibberige pad’ in Metamedica juli/82; een metabletica van de ontlasting.
In het redactioneel van L.J. Menges wordt het zonder omhaal als een boeiend metabletisch opstel gepresenteerd. Voor Menges betreft het de veranderingen die de visie op de ontlasting en de daarmee verbonden verschijnselen in de loop der laatste eeuwen heeft ondergaan, lopen parallel aan fundamentele wijzigingen in de visie op gezondheid en ziekte. Deze wijzigingen stempelen tevens de omgang met de zieke mens, met name in de verpleegkunde. Volgens Menges ziet Van der Bruggen Florence Nightingale als een laatste voorvechtster voor een integrale zo men wil: holistische benadering in de verpleging.
In het opstel zelf valt merkwaardigerwijze de term metabletica niet, maar het is duidelijk dat die er wel een bijdrage in heeft. Schema 3 in zijn opstel laat dit zien aan drie feiten; Virchow met zijn Cellularpathologie, Florence Nightingale met Notes on nursing en rond 1859 het Journal van Michelet. Met deze drie gelijktijdige voorvallen probeert Van der Bruggen zijn stelling over Florence Nightingale te verduidelijken.
Virchow geeft het wetenschappelijk slot van het uiteengevallen mensbeeld in zijn publicatie, waarin de mens is gedesintegreerd in de toen kleinst denkbare deeltjes.
Aan de kant waar het ‘alledaagse leven’ zich bevindt waar de uitscheiding van de mensen zich afspeelt bezijden het objectivisme begint rond 1859 Jules Michelet met verbijsterende nauwkeurigheid notities te maken over de ontlasting van zijn vrouw.
De persoon is niet in cellen te houden, is daarin afwezig, vandaar de banale interesse in het leeglopen van zijn vrouw, hoe het lichaam leeg raakt.
Met Röntgen is het lichaam helemaal leeg en door zijn persoon verlaten.
De stelling van Van der Bruggen is dat Florence Nightengale als laatste nog een persoonlijke integrerende holistische (is verpleegkundige) benadering probeert. Notes on nursing is het ontstaanspunt van de verpleegkunde als kunde en als wetenschap.
Van der Bruggen ambivalent tegenover de metabletica, maar op verzoek?
Het volgende boek van Van der Bruggen Naar een antropologische verpleegkunde 1987 bezit een uitwerking van de opzet voor een antropologische-verpleegkundige theorie, die ook door z’n boek over Van den Berg liep. Daarom is het zeer verrassend dat daarna van der Bruggen niet meer ‘in’ was voor de metabletica, vooral door tegenwerking van de academie. Zijn proefschrift Patiënt privaat en privacy. De stoelgang als gezondheidswetenschappelijk probleem 1991, onderging nogal wat publiciteit. Er blijkt geen metabletische belangstelling meer uit. Dit is niet opmerkelijk maar aanmerkelijk, wanneer je promoveert op het onderwerp waarover je een interessant metabletisch opstel publiceerde. Ook de naam J.H. van den Berg is er bijna uit verdwenen, omdat dit door zijn promotoren niet geapprecieerd werd en het is nu eenmaal zo dat wiens brood men eet wiens woord men spreekt. Op het eind van zijn Curriculum vitae van zijn proefschrift noemt men zijn publicaties. “Harry van der Bruggen is auteur van Leve de zieke, Naar een antropologische verpleegkunde en coauteur van De delta van de Nederlandse verpleging.
Zijn boek over Van den Berg lijkt niet meer geschreven te zijn.
Dat het negeren van de metabletica van Van den Berg van zijn promotoren uitging bewijst zijn De delta van de Nederlandse verpleging de eerste druk van 1988, hierin komt zijn boek over Van den Berg niet voor. Na zijn promotie Patiënt, privaat en privacy de stoelgang als gezondheidswetenschappelijk probleem’ uit 1991 wordt in de derde druk van De delta…’ uit 1992 zijn boek over Van den Berg wel weer genoemd. Ik geef het citaat om aan te geven hoe positief Van der Bruggen tegenover het werk van Van den Berg ook nog in 1992 staat. “Een poging tot begripsverheldering in het perspectief van de antropologische verpleegkunde werd voorts ondernomen in De verpleging in Nederland en het werk van Jan Hendrik van den Berg, namelijk betreffende ‘man-zijn en vrouw-zijn in de verpleging’, ‘het verpleegkundig zien’ en ‘het verpleegkundig omgaan met de materie’.
Metabletica taboe en J.H. van den Berg persona non grata in de wetenschap. Of dit bij de promotie van Van der Bruggen alleen wetenschappelijke gronden had laat ik in het midden.
Of de invloed van de metabletica op Harry van der Bruggen is gepasseerd en een tijdelijke interesse is geweest is nog niet te zeggen.
~
De metabletica, de leer der veranderingen van J.H. van den Berg is een omstreden leer. Het wetenschappelijk aanzien ervan is nihil. In wetenschappelijke publicaties is het niet opportuun ze onder de aandacht te brengen.
Deze attitude dat metabletische inzichten ongewenst zijn in de wetenschap toont ons Darwins Origin of Species:Betoverende wetenschap 1988 van Ilse N. Bulhof. Deze monografie gaat over een van de belangrijkste boeken uit onze cultuur Origin of Species. En dit wellicht beroemdste boek uit de geschiedenis der wetenschappen is ook het thema van Koude Rillingen over de rug van Darwin.
Zo zijn er twee oorspronkelijke publicaties van nederlandse origine, die alleen over Origin of Species van Darwin gaan.
Dat J.H. van den Berg persona non grata is en zijn leer der veranderingen in de doofpot is gestopt, komt te voorschijn uit Betoverende wetenschap in de passages over de verhouding Darwin-Wallace.
Blz. 17 roept als het ware om een paragraaf over wat Van den Berg hierover te berde brengt. Ilse Bulhof rept er niet over. Zodoende komt Van den Berg in het namenregister niet voor. Maar het werd haar toch al te gortig om Van den Berg helemaal niet te noemen, zo heeft ze Van den Berg met Koude Rillingen verstopt in een paar noten.
Ilse N.-dankzij deze N krijgt wetenschap een verhoogde waarde- Bulhof is goed op de hoogte van metabletische ideeën. De aard van de noten bewijzen dat en blijkt ook uit dat ze bekend is met het werk van Romanyshyn, ze verwijst een aantal malen naar zijn boek Psychological Life 1982, in Nederland vrijwel onbekend, behalve in de metabletica, want Romanyshyn is onder meer, een ‘leerling’ van J.H. van den Berg.
~
Florence Nightingale
Het lijkt er op dat wil men als verpleegwetenschapper metabletisch bezig zijn er niet aan te ontkomen is om Florence Nightingale als uniek voorval te zien. Na de publicatie van Van der Bruggen is het beeld van haar de laatste jaren nogal drastisch veranderd.
De reputatie van Florence Nightingale als ‘De Lady of the lamb’ ging aan diggelen en is aan een nieuwe waardebepaling toe.
Het trefwoord bij Florence Nightengale is ‘frisse lucht’. Om de gewonden en zieken in een barak als hospitaal bij elkaar te leggen werd er voor gezorgd dat met haar methode velen de geest gaven. Vanwege de gemakkelijke besmetting gingen infecties snel rond. Men ging bij haar in Scutari vele malen sneller dood dan dat men achterbleef op het vrije voorbije slagveld.Ook zelf was ze geen frisse luchtige dame. In een documentaire over haar is de ‘Lady of the lamb’ veranderd in een Iron lady. Ze zou een rechtlijnige vastberaden vrouw zijn; ambitieus en zonder compassie, een ongenaakbaar type. Of zoals een tijdgenoot het uitdrukte: “Zacht als een meisje maar van binnen hard als staal. Aan wondkoorts sterft men mét en zonder Miss Nightingale”.
Toen Florence op het toppunt van haar roem terugkeerde van de Krim-oorlog, ging ze aan een mentale en fysieke instorting lijden en was tien jaar de meeste tijd aan bed gekluisterd. Voor de rest van haar 90-jarig leven bleef ze een afgezonderde invalide. Ondanks dat ze veel tijd in bed lag, werkte ze als een bezetene voor sociale hervormingen, maar haar excentriciteit en het geheim van haar ziekte heeft het moeilijk gemaakt haar successen juist te beoordelen.
Het heeft 140 jaar geduurd voordat Hugh Small het geheim heeft opgelost door een verklaring te geven. Op het eind van de Krimoorlog, in een poging om de invloed van de Army High Command, te verzwakken, vroeg Florence Nightingale, de onnodige dood van 16.500 soldaten in hospitalen te onderzoeken. Wat waren precies de effecten van hongerdood en blootstelling in de frontlinie. Het onderzoek werkte averechts toen ze ontdekte dat haar hospitaal de werking had van een dodenkamp.
-Toen ze later zelf in aanmerking kwam opgenomen te worden, weigerde ze in een ziekenhuis te liggen.-


Het verwaarlozen van de hygiëne in het hospitaal door de regering en niet de onbekwaamheid van het leger was de oorzaak van de dood van de soldaten. Zonder zich om haar reputatie te bekommeren wilde ze dat de regering het bewijsmateriaal publiceerde om de publieke opinie te mobiliseren om de gezondheidszorg in Brittanië te hervormen. De weigering van de regering om dit in de openbaarheid te brengen, leidde tot de instorting van Nightingale.
Maar de regering was nog niet van Florence Nightingale af. Ze vocht terug door een rapport uit te laten lekken dat liet zien dat de regering essentieel bewijsmateriaal had achtergehouden. Ze werd de leider van de gezondheidszorg-beweging in Brittanië, terwijl ze het zelf zag als een wraak op de dood van zo vele gewone soldaten. De ontdekkingen van Hugh Small tonen dat haar bijdrage aan de gezondheidszorg na de oorlog cruciaal was, en dat ze gebruik maakte van het meest moderne wetenschappelijk onderzoek uit die tijd.

Om dit te illustreren volgt hier een citaat van Ida Stamhuis uit ‘Florence Nightingale: statistiek de belangrijkste wetenschap’. “Bekend geworden is het diagram waarmee ze de sterfgevallen in de Britse militaire hospitalen van de Krimoorlog in 1855 in beeld bracht. Met dit diagram wilde Nightingale de Engelse politici duidelijk maken dat de sterfte onder de soldaten vooral een gevolg was van de slechte hygiënische omstandigheden, en veel minder van het oorlogsgeweld. Ze ontwierp een dergelijk diagram waarin de figuur de oppervlakten van de cirkelsegmenten de maat zijn voor het aantal slachtoffers.
Om een muur van onwil en onverschilligheid te doorbreken richtte ze een spervuur van statistieken op de Britse autoriteiten. Om dat met statistieken te doen en ook nog door een vrouw, dat was in die tijd helemaal nieuw. In 1858 werd ze gekozen tot Fellow of the Royal Statistical Society. In 1874 werd ze erelid van de Amerikaanse statistische organisatie. Het is merkwaardig dat Edward Tufte Nightingale niet noemt, want uit oogpunt van grafische vormgeving zijn haar afbeeldingen zeker bijzonder“.
Onder het leiderschap van Florence Nightingale na de oorlog, ging het sterftecijfer naar beneden omdat het voorafgaande verzet tegen de legalisatie van de gezondheidszorg verdween in confrontatie met haar voorzichtige argumenten, haar eerbiedwaardige reputatie gebaseerd op haar verschrikkelijke ervaring, en haar politieke invloed. Na haar dood probeerden haar biografen uit commerciële overwegingen haar reputatie als verpleegster te herstellen- de “Lady with the lamb”.
Ze maakten er aanspraak op dat ze het hygiënisch probleem had opgelost in haar legerhospitaal en dat ze het sterftecijfer had teruggebracht van 42 naar 2 %. Dit in tegenstelling met Florence Nightingale zelf. Zij vertelt en toont ons met een diagram dat het sterftecijfer in de vier maanden na haar aankomst was gestegen van 8 naar 42% en dat ze niet verantwoordelijk was voor de vermindering daarna. Het gevolg van de pogingen van haar biografen om te tonen dat het waarom van hygiëne tijdens de oorlog ruim werd begrepen is dat haar latere werk in moderne ogen ondergewaardeerd wordt. Moderne auteurs hebben haar instorting van na de oorlog gebruikt als bewijs voor een ‘weke vrouwelijke persoonlijkheid’ en hebben onterecht aangenomen dat haar supporters allen werden aangetrokken door haar sentimentele beeld van haar vanuit de oorlog.
Nu Florence Nightingale, Avenging Angel van Hugh Small enige van de mytheficaties heeft weggeveegd is het mogelijk om haar werk te herzien en de positie van Florence Nightingale te grondvesten als een van de belangrijkste politieke leiders van de negentiende eeuw.
Florence Nightingale maakte het oorspronkelijke diagram over de doodsoorzaken over het leger in het oosten, de zogenaamde “coxcomb”, eind 1858.
Ze mag dan niet de eerste geweest zijn om diagrammen te gebruiken om statistische gegevens weer te geven; maar ze is wel de eerste geweest ze te gebruiken om mensen te overtuigen voor de noodzaak van verandering.
De “coxcomb” als politiek drukmiddel.
Zou dit voorval voor ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ significant zijn?
De betiteling ‘coxcomb’ voor dit diagram is door Nightingale zelf nooit gebruikt.
Het ‘Royal Commission report’ was van een enorme omvang en daar kwam dan 2000 copies van Morality of the British Army een publicatie van Nigtingale boven op. Dit boekje was nogal in het oog lopend in kleur uigegeven. In een brief naar de commissie gebruikte Florence Nightingale het woord ‘coxcomb’ in deze meer bedachte zin om op een boek met tekst, tabellen en grafieken opmerkzaam te maken. Dit boekje bevat het betreffend diagram niet eens.
Een coxcomb is de ostentatieve rode pluim op de top van een koksmuts, historisch is het een zotskap en figuurlijk is het een pedante kwibus.
Het is gemakkelijk in te zien waarom de vergissing bleef voortbestaan. Ten eerste omdat de vorm van het diagram aan een pluim van een helm deed denken en ten tweede om op een zogenaamde coxcomb van haar report (boekje) te focussen kon men de werkelijk belangrijke inhoud ignoreren.
Ook in het boek van Small komt de ware oorzaak van het hoge sterftecijfer in de Krimoorlog niet goed uit de verf. Inzicht in de ware aard van besmetting was er niet behalve bij enkele tijdgenoten als Semmelweis. Maar er was al wel de narcose, dus de chirurgen konden veel meer hun gang gaan dan voor de narcose. Men opereerde er op los alsof het een lieve lust was. Men was zeer bedreven in amputaties. Pas in de jaren zeventig werd inzicht in asepsis en antisepsis verkregen. Door de schuld van de narcose en de gemakkelijke besmetting in de barakken heeft duizenden, wie weet honderdduizenden op zijn geweten. Wat in de Krimoorlog speelde, speelde eveneens in de Amerikaanse burgeroorlog.
Een tijdgenoot rapporteerde op gezag van ene McGrigor chirurg te Scutari: “Er moet iets van waar zijn: sinds we met chloroform opereren en onbelemmerd en diep kunnen snijden, komt de wondkoorts dagelijks meer voor en neemt ook kwaadaardiger vormen aan. De chloroform zou niet de laatste vernieuwing zijn, waaruit naderhand de grootste narigheid voortkomt”. De wondkoorts tierde er welig en men moest de geopereerden zoeken, wier lichaam niet via de operatiewond was vergiftigd.
Een terzijde. J.H. van den Berg neemt in Leven in meervoud aan dat de pijngevoeligheid in de negentiende eeuw toenam en een tegenwicht noodzaakte zodat de narcose werd uitgevonden. Maar men kan ook zeggen de pijngevoeligheid nam toe vanwege de narcose. De diepe insnijdingen met als gevolg wondkoorts zal het kwantum pijn zeker groter hebben gemaakt. Zo komt men tot bijzondere overwegingen. Volgens de metabletica leed men meer pijn omdat men eenzamer was. Zijn eenzame mensen dan geschikter voor diepe chirurgische insnijdingen en voor wondkoorts? Wij stellen dat de stelling dat de pijngevoeligheid toenam naast een metabletisch aspect, ook een technisch aspect van het medische kunnen bezit.
Willem Ouweneel
Prof. dr. Willem J. Ouweneel (1944) is gepromoveerd in de biologie, de filosofie en de theologie. Hij is docent aan de Evangelische Hogeschool (Amersfoort) en hoogleraar theologie en filosofie aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven/Heverlee te België en de Staatsunabhangige Theologische Hochschule in Basel, Zwitserland. Hij heeft over Bijbel en wetenschap een groot aantal boeken geschreven en houdt over deze onderwerpen geregeld lezingen in binnen en buitenland.
Willem Ouweneel over 1859

Willem Ouweneel
Auteur van een trilogie onder inspiratie van J.H. van den Berg
De negende koning 1996
De zevende koningin 1998
De zesde kanteling 2000
In een leeszaal, opnieuw te Zwolle zag ik het blad ‘Bijbel en wetenschap’ en op het omslag stond ‘Metabletica van 1859’. Dat trok natuurlijk mijn aandacht. Zo kwam ik op gelijke wijze door eigen nieuwIn een leeszaal, opnieuw te Zwolle zag ik het blad ‘Bijbel en wetenschap’ en op het omslag stond ‘Metabletica van 1859’. Dat trok natuurlijk mijn aandacht. Zo kwam ik op gelijke wijze door eigen nieuwsgierigheid en onderzoek net als bij Van der Bruggen met het werk van Ouweneel in aanraking.sgierigheid en onderzoek net als bij Van der Bruggen met het werk van Ouweneel in aanraking.
De manier waarop ik aan deze publicaties kwam illustreert op bijzondere wijze dat het zich bezighouden met metabletica een tamelijk individuele aangelegenheid is, dat zich verre van een centrum houdt en een marginale activiteit is.
31 januari 1981 was er een metabletica-studiedag van de Evangelische Hogeschool te Amersfoort die handelde over de veranderingen in de Westerse mens in de laatste 200 jaar, waardoor het westen grondig veranderd en in menig opzicht onhandelbaar is geworden. Wat zijn daarvan de oorzaken?
De twee sprekers daarover waren prof. dr. J.H. van den Berg en dr. W.J. Ouweneel.
Ouweneel publiceerde zijn lezing in het lijfblad van de Evangelische Hogeschool ‘Bijbel en wetenschap’ van juli 1981 en is de tweede publicatie over ‘Het metabletisch tijdsgewricht 1859’.
Bij Ouweneel bezit ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ zeven feiten.
1.Het nationale eenheidsstreven (in Italie, V.S., Duitsland),
2.Darwin met de Origin of species,
3.Marx met zijn Zur Kritik der politischen Okonomie,
4.Wagner met Tristan und Isolde,
5.Baudelaire met Les fleurs du mal,
6.Edouard Manet met het schilderij ‘De absinthdrinker’
7.De evangelische opwekkingsbeweging begonnen in de Verenigde Staten en bereikte een hoogtepunt in het Verenigd Koninkrijk.
De lezing van Ouweneel werd voorzichtig gebracht, we moesten daar dan ook niet meer in zien dan dat het een soort ‘metabletische vingeroefening’ was. Hij komt als verklaringsgrond ook slechts tot wat algemeenheden.
Waarschijnlijk heeft Ouweneel de meeste voorvallen van Van den Berg maar een paar zijn van hemzelf.
Ouweneel vervolgt het metabletische pad
Ouweneel had met ‘Metabletica van 1859’ metabletisch de smaak goed te pakken. Hij was vooral in de twintigste eeuw geïnteresseerd en zocht een markant jaartal en dat was het jaar 1905.
‘De geboorte van de 20e-eeuwse mens’ onder deze titel verscheen een serie van acht artikelen in ‘Bijbel en Wetenschap’. Het vertrouwen in de metabletische methode lijkt te zijn toegenomen, de ’metabletische vingeroefeningen’ zijn tot ‘metabletische oefeningen’ gepromoveerd.
Het volgende cruciale jaar dat Ouweneel behandelt is: ‘Een derde verdichting 1948’ een dwarsdoorsnede in zes artikelen.
Deze twee metabletische (vinger)-oefeningen komen voor het grootste deel uit eigen koker, maar Ouweneel slaagt er in de verste verte niet in om tot een formule te komen om deze jaartallen te duiden. Ouweneel heeft hier geen talent en oog voor en dat blijkt uit zijn boekbespreking van Hooligans door J.H. van den Berg in ‘Bijbel en Wetenschap’ april 1990 daarin schrijft hij over Hooligans dat de vorm waarin de boeiende denkstof aangeboden wordt, daarmee is Ouweneel niet zo gelukkig, Hooligans is niet erg systematisch opgebouwd en de hoofdlijn springt daardoor niet gemakkelijk in het oog (van Ouweneel),en dan komt het gebrek van Ouweneel te voorschijn waar hij schrijft: “Bovenal wordt het boek ontsierd door enorme uitwijdingen die voor de gang van het betoog volstrekt irrelevant zijn”.
Een ontkenning van de metabletische methode, daar geldt ‘hoe breder de tijd’ en hoe meer ‘ver verwijderde verbanden’ des te beter.
Deze ontkenning, dit tekort is vreemd, aangezien Ouweneel een boek (in concept) over de metabletische methode schreef. Tot nu niet verschenen, maar misschien komt er ooit nog wat van. Ouweneel publiceerde wel “Zie, hoe alles hier verandert…’ Een sympathetisch-kritische studie van de metabletica (veranderingsleer) van prof. dr. Jan Hendrik van den Berg in het tijdschrift ‘Radix’ nr. 4 1991. Bedoeling van dit artikel is de metabletische methode en ook Van den Bergs visie op de werkelijkheid, op de wetenschap en op de geschiedenis kritisch te analyseren. Ouweneel actualiseert eigenlijk het artikel hierover van Jan van Spaendonck ‘De metabletische methode’ uit 1975. Het artikel van Ouweneel voegt weinig toe aan metabletisch inzicht, men krijgt meer de indruk dat Ouweneel de metabletische methode los wil maken van Van den Berg en de methode naar zich toe wil halen, zich wil toe-eigenen onder de dekmantel van God, waarachter hij zich verschuilt want er is een ‘christelijke metabletica’ gewenst en Ouweneel is nooit te beroerd om waar dan ook ergens een Christelijke saus door te mengen als men maar weet dat Ouweneel de ware bekokstover is.
Dat dit geen loos geklets is dat kant noch wal raakt om iemand te chargeren wil ik met zijn weergave van de metabletische methode illustreren.
De metabletica werd in 1956 geboren en de vader is J.H. van den Berg en de metabletische methode ontstond in 1968 met Metabletica van de materie. Deze methode is geen methode in exacte zin van dat er eisen aan gesteld worden van wat niet en wel mag zodat anderen dit kunnen checken. De metabletische methode is de methode van de optimale vrijheid. Ze heeft wel een denkraam met een raamwerk die de methode toch weer binnen de perken houdt.
Voor Van den Berg heeft de methode
drie theoretische beginselen.
1. Het beginsel niet te verstoren
2. Het beginsel der werkelijkheid
3. Het beginsel der veranderlijkheid
En drie praktische beginselen
4. Het beginsel der gelijktijdigheid
5. Het beginsel van het unieke voorval
6. Het beginsel der beklemtoning
In de studie van Ouweneel ‘Zie, hoe alles hier verandert’, verandert de auteur in de presentatie van de metabletische methode de leer der veranderingen in veranderingsleer; beginsel 1 in Het intactheidsbeginsel
2 in Het werkelijkheidsbeginsel
3 in Het veranderlijkheidsbeginsel
4 in Het gelijktijdigheidsbeginsel
5 in Het uniciteitsbeginsel
6 in Het beklemtoningsbeginsel.
1 het intactheidsbeginsel en 5 het uniciteitsbeginsel zijn zelfs nieuwe aanduidingen. Daarom gaat er de suggestie van uit dat de weergave van Ouweneel een parafrase van de metabletische methode van Van den Berg overstijgt, terwijl het feitelijk geen enkele verbetering inhoudt. Het voegt helemaal niets toe aan de beginselen van Van den Berg. Waarom Ouweneel dit op deze manier doet; daarvoor is maar één reden: alleen een schoolvos die met de ideeën van een ander aan de haal gaat, houdt er zo’n pedante werkwijze op na.
De zesde kanteling

Dit boek van Ouweneel
is doordrenkt
met metabletische
vingeroefeningen
W.J. Ouweneel publiceert met een enorme productie het ene boek na de andere, de serie artikelen over de jaartallen 1859, 1905 en 1948 waren daar, en ze vonden hun weg in zijn boek De zesde kanteling 2000, zes ‘Sternstunden der Menschheit’. Het boek is doordrenkt met ‘metabletische vingeroefeningen’. De metabletische inspiratie wordt nog wel in ‘Bijbel en Wetenschap’ vermeld, maar nauwelijks in De zesde kanteling zelf, ten minste niet expliciet en dat was toch wel in de inleiding gepast geweest.
Om de metabletische inspiratie nog meer te verdoezelen is zijn artikel over de metabletische methode ‘Zie hoe alles hier verandert’ niet in de enorme bibliografie opgenomen.
Het gemak waarmee Ouweneel verbanden aangaat,- zijn methode lijkt wel op een soort van ‘rad van avontuur’- zijn verbazingwekkend, hij integreert het zo in een zogenaamde ‘metahistorische’ trilogie. (Het begrip ‘metahistorie’ heeft Ouweneel niet van zichzelf maar is geleend van de metahistoricus F. de Graaff). Het is een peulenschil voor Ouweneel om met dit derde deel De zesde kanteling de vorige delen De negende koning 1996 en De zevende koningin 1998, die binnen het bijbelsprofetische gezichtsveld bleven, in het brede kader van 5000 jaar denkgeschiedenis te plaatsen.
De zesde kanteling is volgens de flaptekst een meeslepende tocht door de geschiedenis geworden, die als het ware ‘van bovenaf’ (alsof God zich als Ouweneel vermomt) bekeken wordt. Deze vermomming wordt op Ouweneelse wijze niet onheus bedoeld. Zij heeft op zijn minst de schijn authentiek te zijn.
Op het eind van De negende koning staat een genealogie van Willem Johannes Ouweneel die teruggaat op Otto I de Grote. In het voorwoord van De negende koning staat dat Ouweneel diepe blikken achter de schermen van de wereldgeschiedenis te danken heeft aan Frank de Graaff. Wanneer men weet wat deze over de Otto’s heeft geschreven dan suggereert de afstamming van Ouweneel afstamming en wederopstanding van Christus in W.J. Ouweneel. Ja, ja men is niet kinderachtig. Met zo een genealogie is het vanzelfsprekend voor Ouweneel als kind van God om tegen de afstammingsleer van Darwin te zijn.
Het artikel ‘Metabletica 1859’ is in De zesde kanteling praktisch ongewijzigd overgenomen uit ‘Bijbel en Wetenschap’. Er is blijkbaar niet veel voor nodig geweest om van een ‘metabletische vingeroefening’ uit 1980, in 2000 een ‘metahistorische’ openbaring te maken.
De geboorte van de 20e-eeuwse mens en Een derde verdichting 1948 zijn eveneens ongewijzigd in De zesde kanteling opgenomen.
Uit dit geheel komt Ouweneel als iemand naar voren die sterk is beïnvloed door F.de Graaff maar diens metahistorie achter zich laat en nog veel sterker is de invloed van J.H. van den Berg maar Willem Ouweneel gaat met het grootste gemak diens metabletica in de zesde versnelling voorbij.
De manier hoe Ouweneel met deze invloeden omgaat storen en het is typerend dat dit met zijn roman Het Godsgetal, waar deze invloeden ook in werking zijn, dit geenszins het geval is.
De inspiratie van deze twee zijn mede van belang voor de theomatica in Het Godsgetal.
Anno Domini 1000-Anno Domini 2000 van F. de Graaff mondt uit in de betekenis van het tientallig stelsel en J.H. van den Berg wordt naast psychiater, metableticus een getallenhistoricus genoemd.
Jan Hendrik van den Berg

Grondvester van de
leer der veranderingen
Jan Hendrik van den Berg is geboren in Deventer in 1914, haalde in 1932 het eindexamen HBS, in 1933 de onderwijsakte, in 1935 de hoofdakte en het examen
Wiskunde Mo (KI) in 1936. In dit laatste jaar begon hij -als werkstudent, want hij voorzag met het geven van wiskundelessen in zijn levensonderhoud- de medische studie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht. Na het artsenexamen in 1943 specialiseerde hij zich bij Prof. Dr. H.C. Rümke in de psychiatrie en de neurologie. Bij deze hoogleraar promoveerde Van den Berg in 1946 op
Het proefschrift De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie. Na een jaar van studie in Parijs en Zwitserland, waar hij grootheden als Merleau-Ponty, Lacan, Henri Ey ontmoette en bevriend raakte met Gaston Bachelard, Eugene Minkowski en Ludwig Binswanger. In het Zwarte Woud heeft van den Berg drie dagen lang contact met Martin Heidegger in zijn hut in Todtnauberg. In 1947 volgde de benoeming tot chef de clinique in de psychiatrische kliniek van zijn leermeester Prof. Rümke. Een jaar later volgde de benoeming van privaatdocent in de psychopathologie in Utrecht, in 1951 werd Van den Berg bijzonder hoogleraar voor de pastorale psychologie (bij de theologische faculteit te Utrecht), en in 1954 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden in de fenomenologische methode en de conflictpsychologie. Prof. Van den Berg heeft, afgezien van de reeds vermelde dissertatie, diverse tijdschriftartikelen en redevoeringen gepubliceerd, waarbij we op psychiatrisch terrein De psychiatrische patiënt 1965, Kleine Psychiatrie 1964 en Dieptepsychologie 1970 noemen.
De andere spil van zijn bestaan en publicatiedrift is de metabletica, J.H. van den Berg is grondvester van de leer der veranderingen; ontdekker en uitvinder van de metabletische coïncidenties. De belangrijkste zuilen waarop de metabletische reeks staat zijn Metabletica 1956, Metabletica van de Materie 1968, Gedane Zaken 1977 en Metabletica van God 1995.
Ook in de 21e eeuw is J.H. van den Berg als zenuwarts en metableticus doende.
J.H. van den Berg over 1859

Dit boek is bovenal een metabletisch onderzoek van onze verknochtheid aan de afstammingsleer.
De strijd over Darwin’s afstammingsleer is een politieke strijd.
Niet de waarheid is in het geding, maar een maatschappelijk proces.
Koude Rillingen over de rug van Darwin verschenen in 1984 is de derde publicatie die over ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ handelt.
Drie geschriften over 1859 dat is in de metabletica een unicum.
Na de maatschappelijke impact op de prioriteit tussen Darwin-Wallace zijn volle lading gegeven te hebben komt Van den Berg tot de conclusie dat de afstammingsleer behalve een wetenschappelijk, ook of vooral, een niet wetenschappelijk doel dient en komt bovendien tot de vraag: Hoe moet men de verbreide verknochtheid aan de afstammingsleer verklaren? Misschien kan de metabletische methode uitkomst bieden.
Van den Berg heeft vijftien unieke voorvallen voor 1859 verzameld. In deze publicatie feiten genoemd.
De feiten zijn de precieze weergave uit Koude Rillingen blz. 96,97,98 zoals ze daar beknopt zijn samengevat. Aansluitend wordt voor zo ver mogelijk de metabletische zingeving gegeven.
Feit 1. Tussen 1848 en 1858 vindt een reeks ontdekkingen plaats op botanisch gebied, die in het laatstgenoemde jaar, 1858, tot de conclusie voert dat bevruchting en voortplanting bij alle zo uiteenlopende plantengroepen, als identiek op te vatten zijn en bovendien onmiskenbare overeenkomst vertonen met de bevruchting en voortplanting bij de dieren. Feit 1 is een synchroon feit. Het bevestigt Darwin’s Origin. Het voegt er niets aan toe.
Feit 2. In 1859 geven Kirchhoff en Bunsen voor het eerst de verklaring van de zogenaamde Lijnen van Fraunhofer in het spectrum van het zonlicht, waardoor het mogelijk wordt de chemische aard van de atmosfeer van de zon en van de sterren te onderzoeken, wat het begin betekent van de wetenschap genaamd astrophysica.
Darwin’s Origin wordt door feit 2 niet in een nieuw licht gezet. Beide feiten bevestigen elkaar. Feit 1 en 2 laten zien dat de gedachte van eenheid, van identiteit, die in de loop van de 19e vaste voet kreeg, in 1859 tot schitterende resultaten heeft gevoerd. Wijzer worden wij er niet van.
Feit 3. Wilhelm Busch, tekenaar-schrijver, schepper van de strip- of beeldverhalen Max und Moritz, en Der Heilige Antonius von Padua, maakt in 1859 het eerste ‘verhaal zonder woorden’, dat is het eerste beeldverhaal zonder bijschriften, met de titel Die Tauschung, dat in hetzelfde jaar in de Fliegende blatter verschijnt.
Feit 4. Kussmaul publiceert in 1859 het eerste boek over de psychologie van de pasgeborene: Untersuchungen uber das Seelenleben des Neugeborenen Menschen.
Feit 5. In 1860 publiceert Fechner zijn Elemente der Pschophysik, waarin de eerste poging wordt ondernomen om de psychologie als een natuurwetenschap, als een physica, te beschrijven.
Wat hebben Feit 3, 4 en 5 gemeenschappelijk? Wilhelm Busch verkiest in elke lezer de onnozele te amuseren. Kussmaul schrijft een leer over mensen’s innerlijk bij de pasgeborene, die geen innerlijk heeft. Fechner meet een waarneming, die geen waarneming is maar het lichamelijk verwerken van een prikkel. Alle drie zijn bezig de volledig ontwikkelde, bewust levende mens te elimineren, de mens als geesteswezen te ontkennen, de heer der schepping af te schaffen. Het is biologisch gelukt het verschil tussen plant en dier weg te nemen. Langs dezelfde weg het verschil tussen dier en mens wegnemen, gaat niet. Dan langs een andere weg, die van Feit 3, 4 en 5. Wat de mens van het dier onderscheidt raakte in de negentiende eeuw in discrediet. Vandaar Busch, Kussmaul, Fechner. Toen kon ook de afstammingsleer ontstaan.
Feit 6. In 1859 verschijnt Self-Help van Samuel Smiles, het boek van ‘maatschappelijke etiquette voor de eenvoudige man’, met de aansporing zich met simpele middelen en onder het maken van weinig kosten, wetenschappelijk te vormen, zich zelfstandig boven anderen te verheffen om, als het kan, het fortuin van een Stephenson te verkrijgen, die ook eenvoudig begon en de maker werd van de eerste stoomlocomotief op rails.
In onze eeuw raakte de Vooruitgang haar hoofdletter kwijt. Lof op de arbeid wordt niet meer gezongen. Smiles Self-Help werd verleden tijd. Waardoor deze voor onze tijd belangrijke vraag rijst: wat bezat en bezit Darwin’s afstammingleer, dat niet in discrediet is geraakt?
Feit 7. In 1859 publiceert John Stuart Mill zijn verhandeling On Liberty, dat zich met die titel niet richt tegen de vrijheid-ontnemende enkele despoot, maar tegen de tirannie van de massa.
Mill, evenals Smiles, is voorstander van competitie; daarin is het verband met struggle for life, survival of the fittest van Darwin duidelijk.
Darwin en Mill constateren animalisme. Darwin is er de verdediger van. Mill signaleert het gevaar.
Feit 8. In 1859 woedt de slag bij Solferino, die Napoleon III wint. De Oostenrijkers vluchten. Napoleon III die zich, in overleg met Cavour, tot taak had gesteld Noord-Italie van de Oostenrijkers te bevrijden, staakt tegen ieders verwachting de strijd, mede omdat hij op het slagveld van Solferino, bij het zien van de ellende onpasselijk werd. Dat was ongewoon voor een winnende krijgsheer.
Feit 9. In 1859 raakt Henry Dunant op het slagveld van Solferino verzeild, aangezien hij Napoleon III zoekt met het doel deze een door hemzelf geschreven pamflet te overhandigen om de keizer te bewegen het Heilige Roomse Rijk te herstichten, waarvan Sa majeste lémpereur Napoleon III de nieuwe keizer zou zijn. Napoleon heeft daarvoor geen aandacht. Henry Dunant is dusdanig geschokt door de aanblik van het slagveld dat hij zijn plan laat varen, en zich zet tot het schrijven van Un souvenir de Solferino, dat in 1862 verschijnt en de aanleiding wordt van de stichting van het Internationale Rode Kruis (1863).
Feit 10. In 1859 verschijnt Florence Nightingale’s Notes on nursing, What it is, what it is not, de bijbel van de moderne verpleegkunde. De ervaring die Florence Nightingale opdeed tijdens de Krimoorlog (te Scutari van 1854 tot 1856) liggen mede aan dat boek ten grondslag.
Napoleon III Henry Dunant en Florence Nightingale komen op uiteenlopend terrein tot opvallende daden, die alle getuigen van een nieuwe zin van wat werkelijkheid heet. Zij zijn met Charles Darwin realisten.
Feit 11. In 1859 verschijnt van de hand van Karl Marx het boek getiteld Zur Kritik der politischen Ökonomie, dat een kort Woord vooraf bezit, waarin Marx de eerste definitie geeft van het historisch materialisme. Dit feit, en enkele uiteenzettingen in het eerste hoofdstuk, maken dat men later het werk wel betitelde als Das Kapital deel nul, om het te brandmerken als voorloper, zoniet het eigenlijke deel I van Das Kapital, dat in 1867 verscheen.
In Darwin’s zowel als in Marx’ boek wordt aan strijd veel gewicht toegekend en de bevoorrechting van het laagste. De dingen respectievelijk de levende wezens en de industriële produkten, verkregen een zodanig conflictrijk en in die zin actieve arbeidzame stoffelijkheid, dat de menselijke arbeid als bepalende vormgever afgeschaft werd.
Feit 12. In 1857, dat is twee jaar voor de Origin of Species verschijnt de roman Madame Bovary van Gustave Flaubert. Het belangrijkste boek van de nieuwe richting in de West-Europese literatuur, het realisme. Verschillende passages brachten Flaubert in opspraak. Het proces, hem aangedaan wegens beschaming van de goede zeden, wordt door Flaubert gewonnen.
Feit 13. In 1857 verschijnt eveneens Les fleurs du mal, gedichtenbundel van Charles Baudelaire. Het proces, om dezelfde reden Baudelaire aangedaan, wordt door hem verloren. Zes gedichten mogen niet worden herdrukt.
Flaubert en Baudelaire verschoven het bestaan van de mensen een weinig in de richting van het animale. Dat deed Darwin ook.
Feit 14. In 1860 verschijnt te Amsterdam de Max Havelaar van Multatuli, pseudoniem voor Eouard Douwes Dekker. De betekenis van dit boek, dat onbetwist in de reeks van synchrone feiten thuishoort, zal niet worden besproken.
Feit 15. Omstreeks 1859 heeft de crinoline, de grootste hoepelrok aller tijden, de grootste omvang bereikt. Wil men het dadelijk precies weten: de zoom is een cirkel met de omvang van tien meter.
Volgens Van den Berg moeten de extreme modevormen van de negentiende eeuw zijn opgeroepen door diep in de samenleving verscholen beweegredenen.
Van den Berg; “Darwin’s boek sloeg om twee redenen in. Voor het eerst was het mechanisme beschreven waarmee de levende wezens, die zo zichtbaar verwant zijn, uit gemeenschappelijke voorouders zijn voortgekomen. Dat mechanisme was de natuurlijke teeltkeus, vergezeld van de sexuele teeltkeus. De tweede reden bestaat hierin, dat Darwin voor zeer velen in zijn boek van 1859, het bewijs had geleverd voor de afstamming van de mens uit het dierenrijk. Door de natuurlijke teeltkeus, door de sexuele teeltkeus. Het animale, het sexueel-animale, kreeg in het menselijk bestaan een betekenis als nooit tevoren. Men kan dan zeggen: de vrouw, voor wie het laatste als ontvangend, dragend, barend, zogend wezen in het bijzonder gold vergrootte haar onderlichaam tot op de grootte van de grootste crinoline, de grootste hoes die zij ooit over haar ‘animale’ delen wierp. De vrouw gaf Darwin gelijk, ook op deze andere manier dat zij zich onder de crinoline voor het eerst weer met vrije benen bewoog. De ‘animale delen’ haalde zij onder de talloze rokken weg.
Wallace><Darwin
Koude Rillingen opent met hoe de verhouding tussen Darwin en Wallace lag waarbij Van den Berg aan de hand van A delicate arrangment van Arnold Brackman, een Amerikaan van Nederlandse afkomst, laat zien dat de inbreng van Wallace veel groter is dan de darwinisten ons willen doen geloven, ja dat het aandeel van Wallace aan de afstammingsleer die van Darwin overtreft. Darwin ontleende de beslissende aanzet voor zijn Origin aan Wallace zonder hem te noemen.

Alfred Russel Wallace
In het werk van Wallace ademt veel meer dan bij Darwin de sfeer van de vrije natuur
Zo werd Darwin van zijn voetstuk gehaald. Dat nemen de Engelsen je kwalijk. Toen Van den Berg een aantal lezingen in Engeland over zijn boek gaf, werd hem toegesneerd: men moest op het continent niet menen dat men in Engeland iets nieuws over Darwin kon zeggen. Een kritische houding tegenover Darwin wordt je niet in dank afgenomen. Het Engelse wetenschappelijk establishment negeerde het boek van Brackman en wie er onderzoek naar wil doen krijgt geen voet aan de grond en zeker geen publicatie.
Een samenzwering van Darwin met zijn vrienden Huxley Hooker Lyell bezorgde Darwin de eer. Nooit heeft Darwin Wallace, ze raakten bevriend, het fijne gezegd van het complot tegen hem die rond de 1e juli 1858 heeft plaatsgevonden.
Dick Hillenius had zelfs het idee dat de grote treurigheid die uit de latere foto’s van Darwin spreekt, te maken heeft met schuldgevoel: de primeur van het Darwinisme was ontstolen aan de naïeve goedaardige onbemiddelde Wallace die dankbaar was met elke gunst die de wetenschappelijke notabelen aan hem schonken.
Een gestolen primeur schenkt geen bevrediging maar blijft een leven lang knagen aldus Hillenius.
Volgens Hub Zwart in Boude bewoordingen zou Van den Berg in Koude Rillingen met nadruk negatief over Darwin zijn. Echter, de pro’s en de contra’s over de afstammingsleer houden elkaar in evenwicht. Of zijn de 15 contra’s tegenover de 14 pro’s een subtiele overwinning voor de contra’s?
Zwart vond het een tekortkoming van Van den Berg geen aandacht te besteden aan de Historical Sketch die door Darwin aan de derde druk van Origin werd toegevoegd. Darwin maakt hierin expliciet gewag van het fenomeen synchroniciteit. Het lijkt me logisch dat Van den Berg niet ingaat op de Historical sketch. Zoals Van den Berg op gezag van Brackman ons inzicht in de verhouding Darwin-Wallace verbetert, is de Historical sketch door Darwin in de derde editie van de Origin toegevoegd om Darwins geweten te sussen en vermeld Darwin Matthew en anderen met daar tussen natuurlijk ook Wallace, – In de woorden van Brackman “om kritiek te smoren dat Darwin de theorie op oneerlijke wijze zou claimen”-, juist om het essentiële aandeel van Wallace te versluieren.
Het is komen vast te staan dat Darwin de datum van Wallace’s brief vervalst heeft. De datum van de beslissende brief van Ternate werd een maand eerder gedateerd om Darwin voldoende tijd te geven de wetenschappelijke inzichten van Wallace in zijn eigen geschriften te verwerken.
Mede in zijn notebooks zei Darwin dat hij onafhankelijk van zijn voorlopers op zijn idee over de evolutie was gekomen en de boeken pas nadien had gelezen, terwijl uit diezelfde notebooks zonneklaar blijkt dat hij ze eerder had gelezen.
Wanneer Van den Berg gewag zou maken van de aandacht van Darwin voor de onderzoekers die gelijktijdig met hem zich bezighielden met de evolutie dan komt onvoldoende tot uiting wat menig historicus tegenwoordig het grootste bedrog in de wetenschapsgeschiedenis vindt.
Zijn houding tegenover Wallace is niet accidenteel maar essentieel, het is de aard van het beestje Darwin.
Dit werd recentelijk opnieuw gesignaleerd met zijn boek over de aardwormen.
Darwin verwijst bijna nooit naar andere onderzoekers zodat men niet eens kan zeggen dat hij slordig met bronnen was.
Hij wilde graag een pionier zijn en verzuimt om die reden zijn voorgangers ‘credits’ te geven.
In The formation of vegetable mould, through the action of worms maakt Darwin geen melding van een boek van Gilbert White waaraan hij wel ideeën heeft ontleend. Voor bioloog Gerhard Cadee moet Darwin het met opzet ‘vergeten’ zijn en is het een grote blamage voor iemand met zo’n grote wetenschappelijke statuur.
In het synchronisme Darwin><Wallace zit een interessante bijkomstigheid.
Voor Arthur Koestler in The act of Creation is Darwin de sprekendste illustratie voor de stelling dat scheppende oorspronkelijkheid er niet in bestaat ideeën uit het niets te maken maar met reeds beschikbare gedachten en structuren via een manier van kruizen nieuwe vruchtbare combinaties te produceren.
Darwin was met zijn gedachten op een doodlopende weg bevond zich in stilstand maar vond in Malthus’ boek An Essay on the Principle of Population een kapstok. Hierin herkende hij meteen de ‘natuurlijke selectie’ als de oorzakelijke factor van de evolutie.
Het merkwaardige aan deze geschiedenis is dat Darwin Malthus helemaal niet heeft begrepen. De strijd om het bestaan waarin Darwin het oorzakelijk mechanisme van de evolutionistische vooruitgang zag, was voor Malthus een oorzaak van ellende frustratie en verval: het groeien van de bevolking een kwaad, een hinderpaal voor deze vooruitgang. Wat Darwin dus uit het essay van Malthus haalde had hij er zelf ‘hinein’ gelezen.
Nog merkwaardiger wordt het dat Alfred Russelll Wallace eveneens langs de omweg via Malthus tot de gelijke ontdekking kwam, dat ‘survival of the fittest’ een natuurwet was.
Het fascinerendste deel van deze geschiedenis is dat dezelfde afwikkeling bij Wallace en Darwin door het essay van Malthus werd opgelost; bij Darwin door de lectuur ervan en bij Wallace doordat in een koortsachtig moment de herinnering aan vroegere lezing van Malthus plotseling opdook.
Nieuwe inzichten kunnen via een grabbelton of rad van avontuur te voorschijn komen maar worden ook vaak gegenereerd door te falen, te mislukken.
Nieuwe inzichten komen tot stand met de gissende methode. De vaste basis daarvan is zich vergissen.
Exemplarisch is Darwin; door verkeerde lezing van Malthus.
Vergelijking: Van der Bruggen-Ouweneel-Van den Berg
Wanneer we het werk van de drie vergelijken dan valt op dat ze verschillend zijn in de keus van de unieke voorvallen. Van der Bruggen haalt twee voorvallen aan die niet bij de 15 feiten, voorvallen van Koude Rillingen voorkomen; namelijk het feit dat 27 augustus 1859 door Edwin Drake de eerste oliebron werd aangeboord en het verschijnen van Die Cellularpathologie van Virchow (is virus een eponiem van Virchow?).
Van den Berg zegt in Koude Rillingen over de rug van Darwin dat hij geen opvallend, initiërend curieus feit op de gebieden van wiskunde, muziek, architectuur of geloofsleven bij zijn andere 15 feiten omstreeks 1859 kon vinden. Dan heeft hij toch buiten Ouweneel gerekend die vermeld in zijn lezing die daarna als een studie werd geafficheerd; ‘Tristan und Isolde’ van Wagner, voltooid in 1859, op het gebied van de muziek en de evangelische opwekkingsbeweging van 1858 op geloofsgebied.
Ouweneel betrekt eveneens ‘De absintdrinker’ van Manet van 1859 in het tijdsgewricht 1859, dat eveneens niet bij de 15 feiten van Van den Berg voorkomt.
Drie publicaties over 1859, waarbij de drie ook nog verschillende voorvallen als uniek zagen.
Wanneer we J.H. van den Berg als de grootmeester in de metabletiek beschouwen, komen de publicaties van Ouweneel en van der Bruggen, die we in deze hoedanigheid als leerlingen zien, tot metabletisch resultaat? Eigenlijk niet veel, niet voor niets noemt Ouweneel zijn geschrift ‘metabletische vingeroefeningen’ en de vragen van Van der Bruggen zijn van een amateur-metableticus en noemt zich zelfs een dilettant daarin.
Hun metabletisch onvermogen komt onder andere doordat bij Ouweneel en van der Bruggen een vraagstelling ontbreekt van; wat veranderde er in 1859, zodat juist deze unieke voorvallen synchroon optraden. Geen vraagstelling dan is er ook geen mogelijkheid tot antwoord om tot verklaringen te komen.
ij Van den Berg luidt de vraag: Hoe moet men onze verknochtheid aan de afstammingsleer verklaren? Daar gaat Koude rillingen om, niet of de evolutieleer wel of niet waar is. Waarom zijn we zo gehecht aan de evolutieleer, waarbij niet de waarheid in het geding is maar een maatschappelijk proces.
Eveneens is het belang van de voorvallen bij Van den Berg lang niet evenredig. Na het inleidende homoloog synchronisme Darwin-Wallace komen de belangrijkere heterologische synchronismen waarbij Marx en daarna de mode en de literatuur het meeste gewicht krijgen in het verduidelijken en het beantwoorden van de vraag waarom we zo verknocht aan de afstammingsleer zijn.
Bij Van der Bruggen en Ouweneel lijken alle voorvallen even belangrijk te zijn. Klaarblijkelijk zeggen de feiten voor hen even veel of even weinig.
Dit is niet helemaal correct; de drijfveer voor van der Bruggen is Florence Nightingale en voor Ouweneel is dat de religie.
Metabletisch resultaat begunstigd een voorbereide geest met een mystiek en causaal vermogen. Alleen wanneer men totaal paraat is kan de metabletische methode voldoende resoneren.
De werkelijkheid met zijn synchronismen is bij van der Bruggen en Ouweneel (door te weinig aandacht) niet in staat zich in een formule kenbaar te maken. De metabletische zingeving manifesteert zich niet.
De formuleringskracht van Koude rillingen door middel van J.H. van den Berg is veel groter. De voornaamste reden hiervoor heeft alles te maken met dat ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ bij Van den Berg door 16 feiten wordt geschraagd. Bij van der Bruggen wordt het tijdsgewricht door acht feiten gedragen en bij Ouweneel door zeven.
Van den Berg noemt zelf 15, waarvan hij feit 14; Max Havelaar van Multatuli niet behandeld, maar door de vraagstelling van het boek namelijk een metabletisch onderzoek naar de oorzaak van onze verknochtheid aan de afstammingsleer zijn Darwin en Wallace, een gelijktijdige ontdekking binnen hetzelfde gebied, niet inbegrepen.
In de metabletiek is de methodische vraag: “Hoe breed is de tijd” en dan spreekt het vanzelf dat van den Berg meer ziet door 17 verschillende feiten dan Ouweneel door 7 en van der Bruggen door acht feiten. De tijd is bij Van den Berg met 17 unieke voorvallen breder en zeggen daarom meer dan bij Ouweneel en van der Bruggen.
De term ‘breedte van de tijd’ bezigde Van den Berg in zijn lezing op de metabletica studie dag van de Evangelische Hogeschool waar hij samen met Ouweneel sprak. Dat deze term in betrekking met zijn studie Koude Rillingen (het tweede gedeelte van zijn lezing daar ging over thema’s die later plaats kregen in Koude rillingen) te voorschijn kwam is niet ongerijmd. Voor Hub Zwart in zijn boek over Van den Berg Boude bewoordingen is Koude rillingen een CT scan ter hoogte van het jaar 1859. Een beetje overdreven, want van den Berg gaat in hoofdstuk XIII over de crinoline op ruime wijze diachronisch te werk, maar inderdaad ligt het accent op het synchrone van het jaar 1859. Koude Rillingen is het onderzoek waar van den Berg zich het meest terugtrekt op één jaartal; maar ook deze bewering dient enige bijstelling.
Op de zitting van de Linnean Society 1858 kwam namens Wallace en Darwin twee onafhankelijke onderzoekers, gelijktijdig en officieel, de afstammingsleer, op basis van de struggle for life, voor de dag. Daarmee is 1 juli 1858 een belangrijk metabletisch moment. De reactie was nihil. Daardoor wordt voor Van den Berg de betekenis van 1 juli 1858 minder belangrijk ten opzichte van het verschijnen van Darwin’s hoofdwerk The Origin Of species waarop de reactie direct en blijvend was. De invloed van de Origin… is sindsdien overweldigend, waarmee de datum van zijn verschijning 24 november 1959 metabletisch meer betekenis heeft.
Het intrigerend voorval van Koude Rillingen legt beslag op twee data: 1 juli 1858 en 24 november 1959. Om die reden liggen de feiten ook niet precies in en direct om het jaar 1859, maar in en direct om de jaren 1858 en 1859. Om precies te zijn ze liggen in de jaren 1857 tot en met 1860, waarbij het opvallend is dat de meeste synchrone feiten toch in het jaar 1859 liggen.
Het metabletisch tijdsgewricht van Koude Rillingen is vier jaar!
Van een dergelijk methodisch betoog gaat een grote kracht uit. Alsof in het onderzoek van Koude Rillingen toch een objectieve leidraad in bedrijf is. Maar kan het anders, wanneer feiten spreken.
De metabletische methode kent geen precieze regels, daar Pietje Precies aantekenen zal dat wanneer openbaarheid voorwaarde van metabletisch belang is dan is Madame Bovary van 1856, toen verscheen het als feuilleton.
Dit alles neemt niet weg dat in Koude Rillingen de ‘breedte’ belangrijker is dan de ‘lengte van de tijd’. Maar met een volledige uitbuiting van het beginsel van de beklemtoning moet er inbreng van de ‘lengte’ zijn en die is er dan ook, vooral maar niet alleen met het hoofdstuk over de crinoline.
Met de beklemtoning is de meest optimale inhoud van de ‘metabletische eenheid’ ‘lengte maal breedte’.
Een kanttekening. Wanneer in metabletische zin de ‘lengte van de tijd’ niet meer parallel loopt met de gelijke ‘breedte van de tijd’ dan is daar volgens Van den Berg een metabletische reden voor.
Volgens Metabletica van de Materie, wanneer een te vervolgen parallellie een zingeving heeft gevonden (blz. 395) en deze parallellie houdt op dan verdient het ontbreken van een verdere parallellie een uitleg (blz. 396). Want de geschiedenis is in de regel zeer precies. Blijkt de geschiedenis een keer niet zo precies te zijn, dan is daarvoor, ook in de regel, een precieze reden aan te wijzen (blz. 122).
Arthur Koestler en creativiteit

Niet alleen in de metabletica is men gefixeerd op hoe iets nieuws ontstaat. Ook de wetenschapshistoricus Arthur Koestler heeft in zijn cyclus The Sleepwalkers, The Act of Creation, The Ghost in the Machine en zijn samenvattende Janus a Summing up zich intensief met creativiteit bezig gehouden. Men noemde zijn werk de meest ambitieuze poging die ooit is gedaan om de bevindingen van een groot aantal verschillende disciplines te integreren in een enkele theorie over creativiteit.
Rijk aan documentatie met een gedurfde aanpak tracht Koestler tot een synthese te komen van zijn eigen theorie van de aard van creativiteit, zoals die tot uiting komt in humor, kunst en wetenschap en de laatste bevindingen van de psychologie, fysiologie, neurologie, erfelijkheidsleer en een aantal andere takken van wetenschap.
Stuitte in zijn naspeuringen natuurlijk op synchroniciteit; met dit thema zijn The Roots of coincidence en The case of the Midwife Toad de belangrijkste publicaties.
oestler bedacht de term ‘holon’ voor Janus-achtige entiteiten die een geheel zijn en tegelijkertijd een deel van een ander geheel. Het stamt af van het Griekse holos = geheel, met het achtervoegsel on, dat evenals in proton of neutron een deeltje of deel suggereert.
Hij merkte op dat mensen, net als andere biologische entiteiten, zelf-regulerende entiteiten zijn die zowel de onafhankelijke eigenschappen van gehelen als de afhankelijke eigenschappen van delen bezitten.
‘Bisociatie’ is een andere term door Koestler bedacht; dit wil zeggen: men is op een bepaald terrein met een probleem bezig waar men niet uitkomt, terwijl men met een probleem op een geheel ander terrein bezig is, kan men door bisociatie tot een oplossing op het eerste terrein komen.
Bij het achterhalen van de betekenis van een ‘metabletisch tijdsgewricht’ moet men zo als Arthur Koestler in The Sleepwalkers in ‘The watershed’ het gedeelte over Kepler zegt, de vraagstelling los rukken uit zijn traditioneel verband en hem als het ware bekijken door een bril van een andere kleur, dat is de ware kern van het creatieve proces. Dat leidt niet alleen tot een revaluatie van de vraagstelling, maar tot een synthese van veel wijdere strekkingen, veroorzaakt door een samenvoeging van tevoren niet aanverwante achtergronden.
Verkeerde veronderstellingen leiden bij Kepler tot de juiste conclusie.
Kepler is een voorbeeld dat een valse inspiratie, een waanvoorstelling leidde tot gewichtige en ware wetenschappelijke ontdekkingen en nieuwe wetten van de natuur opleverde. Keplers misleid geloof in de vijf volkomen lichamen waarvan alle vlakken identiek zijn, de piramide, de kubus, de octaeder, de dodecaeder en de icosaeder bleef tot het eind van zijn leven functioneren als de ‘vigor motrix’ de motor van zijn onsterfelijke prestaties. Zijn ‘idée fixe’ ontdekte zijn drie Wetten, vernietigde het heelal van Ptolemeus en legde de grondslagen voor de moderne kosmologie.
Met kruisbevruchting en zelfbevruchting, nu volgens Koestler’s Janus-A summing up, van de unieke voorvallen en door ze als het ware in een grabbelton door elkaar te schudden, vindt combinatie en integratie van ideeën plaats die nog niet eerder met elkaar waren verbonden.
Metabletica is als zodanig het meest authentieke denken dat denkbaar is, want het Latijnse cogito komt van co-agitare: ‘door elkaar schudden’ van onverenigbare elementen en dat verwekt gisting, gepaard aan opwinding, raakt het een hartstochtelijke gemoedsbeweging van het verstand aan, die grenst aan het ontoerekeningsvatbare. Deze mikmak van unieke voorvallen gaat fuseren en brengt een nieuw amalgaam voort de ‘metabletische eenheid’, die berust op het feit dat dit geheel niet alleen maar de som is van zijn delen, maar ook de uitdrukking van de relaties tussen die delen; en dat bij elke metabletische eenheid tevens nieuwe relatiepatronen opduiken. Met betrekking hierop zijn alle definities, God zij dank, in de metabletica niet definitief.
De metableticus kan met Goethe zeggen: “Wer fertig ist, dem ist nichts recht zu machen ein Werdener wird immer dankbar sein”.
De term ‘metabletische eenheid’ dook bij Van den Berg op in lezingen uit de jaren zeventig; kwam in geschrifte pas te voorschijn in het Liber Amicorum Jacques Claes Onder de koepel van het Pantheon 1994. Zijn artikel Harvey en Hobbes eindigt met de zin: “Harvey en Hobbes vormden onafhankelijk van elkaar, op volledig verschillend gebied, en natuurlijk geheel onwetend, een metabletische eenheid”.
In een metabletisch geschrift komen we er niet onderuit om de aandacht te vestigen op het verschijnen van Metabletica in 1956 en van The Sleepwalkers in 1959.
De ondertitel van Metabletica is Leer der veranderingen. De ondertitel van The Sleepwalkers is A history of man’s changing vision of the universe.
In Metabletica van de materie van 1968 is het beginsel der gelijktijdigheid een van de zes beginselen van de metabletische methode. Koestler probeerde in 1972 met The Roots of Coincidence vat te krijgen op gelijktijdigheden.
Zou het beginsel der gelijktijdigheid hier van toepassing zijn? Wat mij betreft zijn de publicaties van Koestler en Van den Berg een homoloog synchronisme.
F. de Graaff over Koude rillingen
Arthur Koestler vormt een homoloog synchronisme met J.H. van den Berg.
Het metahistorisch oeuvre van F. de Graaff is eveneens een homoloog synchronisme in bevestigende zin met de metabletische reeks.

F. de Graaff
Metahistoricus
Metabletica en metahistorie gaan hand in hand.
De overeenkomsten van de tocht van Van den Berg met Metabletica>Metabletica van de Materie>Gedane Zaken heeft veel gelijkenis met het resultaat van het avontuur van de Graaff met Het Europese nihilisme>Als Goden sterven>Anno Domini 1000 -Anno Domini 2000.
Beide stonden onder de geest van Heidegger. De Graaff promoveerde op Heidegger en Sein und Zeit was een openbaring voor Van den Berg, zodanig dat hij zelfs een paar dagen bij hem in het Zwarte Woud vertoefde.
Metabletica en Het Europese nihilisme verschenen in hetzelfde jaar 1956.
In de toekomstverwachting voor de jaren ‘omstreeks 2000’ stellen we een synchronisme vast met de in 1977 verschenen publicaties Gedane zaken en Anno Domini 1000- Anno Domini 2000. De gelijkenis ging verder met Metabletica van God en Jezus de Verborgene.

Dit boek is een parallel met Metabletica van de Materie en een coïncidentie met Gedane Zaken (Metabletica van de materie deel ІІ). Beide publicaties verschenen in 1977.
F. de Graaff geestverwant en tijdelijk compaan met Van den Berg komt in een uitermate boeiende bespreking ‘Prof. dr. J.H. van den Berg en de koude rillingen over de rug van Darwin’ over Koude Rillingen in ‘Reformatorisch Dagblad’ tot gedenkwaardige uitspraken zoals: “Koude Rillingen is doortrokken van een aristocratische en (wat daarmee onlosmakelijk verbonden is) religieuze mentaliteit.
“Darwin trachtte het aristocratisch beginsel in ieder mens te ontkennen. Dit beginsel is het beeld Gods, de goddelijke afkomst. Darwin stelde dat de mens niet meer was dan een zoogdier, afstammend van de laagste diersoorten”.
“Politiek en de leer van Darwin zijn identiek. Wat is politiek volgens Van den Berg: Politiek is als een door drommen betreden gebied.
F. de Graaff trekt daaruit de conclusie; Er moet dus een verband liggen tussen Darwins leer en de heerschappij van de massa”.
De Graaff stelt dat in de metabletica dingen meespreken die men gewoonlijk niet bewust maakt. F.de Graaff stelt in zijn bespreking, een van de indringendste schrifturen over de metabletica, de essentiële vraag? Als er een metabletisch verband tussen de feiten van Koude Rillingen bestaat, van welke aard is dan dit verband? Van den Berg ziet een logisch verband, dit is een verband dat door de menselijke rede herkend of gelegd wordt.
De vraag is: ligt deze orde in de dingen of projecteert de mens ze op de dingen.
De Graaff meent dat Van den Berg vindt dat het verband dat hij metabletisch ziet een verband van de feiten zelf is, in de dingen ligt. Omdat dit verband logisch is, kan het door de menselijke rede herkend worden.
Maar dan vraagt de Graaff verder: “ligt dit verband in de dingen of wordt het er vanuit een hogere wereld, door een Goddelijke beschikking opgelegd”? En dan schrijft de Graaff: ”Het laatste is een mogelijkheid die Van den Berg zeker niet uitsluit, waar hij in zijn werken weinig over zegt, maar die hij des te meer doet vermoeden” Vervolgens: ”Kan men de (metabletische)verbanden begrijpen zonder hun afkomst uit een hogere wereld van Goddelijke beschikking te vooronderstellen? Met andere woorden: kan men bij de metabletica blijven staan of moet men komen tot een metahistorie, dit is een historie achter de historie”.
F. de Graaff openbaarde metahistorische inzichten, waarin de invloed der engelenmachten van grote betekenis wordt geacht, ten aanzien van de evolutietheorie in Als goden sterven uit 1969. Hier volgen een paar.
The struggle for life was een vertaling van het liberale begrip van de vrije concurrentie. Het recht van de sterkste wordt in de afstammingsleer verdedigd. De sterkste de elite is een verwerping van het oude feodalisme. Goed is geen onmiddellijke relatie met God. Goed is wat in de natuur doelmatig is. De evolutieleer van Darwin is een typische uiting van de ‘canaille-geest’; heft het specifiek menselijke op. De geest van het voorstellende denken wil de mens losmaken van de oude metafysische instelling en ook van het bewustzijn dat het menselijk wezen berust op een goddelijke betrekking. De metafysische instelling herinnerde te veel aan het feodalisme. Darwins principe van de natuurlijke selectie is in de rassenleer der nazi’s praktisch toegepast. De evolutieleer was in diepste wezen het gronddogma van de bourgeoisie. Het moest de absolute hegemonie van de derde stand rechtvaardigen. Evolutieleer en derde stand gaan zij aan zij om de bijbelse notie te verwerpen dat het menselijk wezen wordt bepaald door de onmiddellijke relatie met God.
Tot zover enkele metahistorische inzichten verkregen via F. de Graaff.
Jacques Claes
en‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’
In de poging het metabletisch tijdsgewricht 1859 nader en wie weet opnieuw te duiden, hebben we met Jacques Claes een doorgewinterd ijzer in het metabletisch vuur. Claes hield zich met Psychologie: een dubbele geboorte 1980 en De wieg van het verdriet 1983, deze publicaties kunnen we als een twee-eenheid zien, metabletisch bezig met het midden van de 19e eeuw.
Jacques Claes studeerde klassieke filologie, filosofie en psychologie te Leuven. Geboeid door het aspect verandering in de psychologie ging hij naar Leiden om daar te promoveren bij J.H. van den Berg met De dingen en hun ruimte, daarna publiceerde hij de twee metabletische werkjes, boven genoemd. Alhoewel hij met Onderwijzen: het wonder wijzen schijnbaar een eigen weg inslaat, blijven zijn publicaties metabletisch geïnspireerd. Met zijn jongste boeken Mijmeringen over de twintigste eeuw 1999 Van mensen en steden 2003 weet de lezer zich aan de auteur verplicht. Zijn aandacht gaat verder uit naar bepaalde fundamentele topics als motivatie en creativiteit, die te maken hebben met ondernemingspsychologie.

Jacques Claes
metableticus
Dit laat hij blijken uit de inhoud van zijn vele lezingen of beter gezegd dit laat hij horen, want Prof. Claes is een zeer begaafd spreker en een originele voordrachtkunstenaar.
In Psychologie: een dubbele geboorte zegt Claes zeer interessante dingen over Gustav Fechner. Claes koppelt Fechner aan 1850 en Van den Berg aan 1859. Het verhaal van Claes is er een over de psychologie en is daarmee een ander dan dat van Van den Berg over de verknochtheid aan de afstammingsleer. Door andere thema’s hoeven de verschillende jaartallen geen tegenstrijdigheid in te houden. In de leer der veranderingen ligt immers niets vast. De metabletische methode is geen dictaat ‘van zo en niet anders’, je kunt er alle kanten mee op. Er leiden niet alleen vele wegen naar Rome, maar ook naar metabletisch inzicht. Misschien levert de metabletische interpretatie van Claes over Fechner een bijdrage tot voortschrijdend inzicht in ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’.
Voor Claes is de essentie van Fechner zijn psychofysica. Psychofysica is de poging om de geest te redden, maar met oneigenlijke middelen, want psychofysica brengt fysische middelen, wetmatigheden aan in de geest, in de wereld van de vrije wil en dat is een onmogelijkheid; de geest met de ratio willen redden is een contradictie, dat is Satan willen uitdrijven met Beëlzebub. De rede heeft nu eenmaal zijn redenen, die de rede niet kent. Ondanks de bezwering houdt het inbrengen van wetmatigheid in de geest, een degradatie van de geest in en dit is naar snit van de afstammingsleer.
De bezwering van Fechner is gevat in formules die voor de natuur gelden, de bezwering van Darwin is dan ook dat we door de natuur geschapen zijn en dat we het daarmee moeten doen, we moeten ons maar thuis voelen met aangelegde parken en bij de dieren en dat gelukt wel, want onze huisdieren zijn afgestompt met gekrompen hersencapaciteit en hebben geen last meer van een overmaat aan prikkels. Dat de afstammingsleer een degradatie inhoudt behoeft geen betoog.
Dat onze huisdieren afgestompt zijn, heeft tot gevolg, dat ze bij ons niet in tel zijn, onze huisdieren zijn alle scheldnamen, terwijl er een grote achting bestaat voor het zogenaamde ‘wilde dier’, dat blijkt uit onze voornamen; zoals Bernard (berenhart) Everard, Rudolf (roemrijke wolf). Dit voert tot de overweging wanneer de minachting voor onze huisdieren echt is en nu we zelf vrijwel ook huisdier zijn geworden met op tijd voer en drinken, de man, vroeger jager, schijnt een voortreffelijk huisman te zijn, werkt dat minachting voor zichzelf en de wereld in de hand?
Nu we zelf huisdieren zijn geworden zijn we bezeten om dat waar we achting voor hadden uit te roeien. Weg met de wilde natuur. Weg met de wilde dieren. Weg met de ‘wilden’. De wilden moeten uitgeroeid worden om de wildheid van techniek en industrie te laten heersen. Of met een parafrase op Ernst Bloch: Steden techniek en industrie staan in de natuur als een bezettingsleger in een vijandig land en van het inheemse wil ze geen sikkepit weten.
De wilde dieren moesten uitgeroeid en in dierentuinen vastgezet worden zodat het beest in de mens in een geurbaniseerde wereld los kon komen.
De wetenschap van Darwin en Fechner heeft een chagrijnige inhoud; maakt de mensen prikkelbaar want ze beperken hun mogelijkheden. Zij zijn verantwoordelijk voor de gemelijke toestand waar de westerse mens vandaag en de dag in verkeert.
Tot zover over Fechner, het scharnierpunt van Psychologie: een dubbele geboorte.
De gereguleerde prikkels van Fechner in steeds toenemende overtreffende trap produceert vooral de ‘reizbare’ mens, die in de ban van de hebzucht nooit genoeg heeft en altijd meer wil. Deze ‘reizbare’ mens groeit sinds het midden van de negentiende eeuw in aantal in lengte en in omvang. Deze ‘reizbaren’ zijn uitermate geschikt voor de stad, daar zijn de meeste prikkels. Maar er zijn ook weigeraars. Die niet uit hun bol willen door het lint of uit hun dak gaan, die zonder behoefte zijn de beest uit te hangen. Sommigen eenlingen met een ‘urbanisatietrauma’ bij voorbeeld Kierkegaard met zijn melancholie om niet mee te doen.
Prof. Claes vertelt in De wieg van het verdriet -In deze publicatie is Kierkegaard ten aanzien van het midden van de negentiende eeuw, het scharnierpunt waarom zijn verhaal over melancholie en troost draait.-, dat Kierkegaard niet erg van de stad houdt, omdat de huizen, dicht bijeenstaand, te veel bergen: in den groszen Stadten sind die Menschen wie die Gebaude allzu dicht aneinandergelehnt. Kierkegaard ligt meer de afgelegenheid ‘in denen zwischen Hütte und Hütte eine halbe Meile Weges ist.
Kierkegaard wil een leven in eenvoud. Zoals de prachtige studie van Udo Doedens Het eenvoudige leven volgens Søren Kierkegaard laat zien is de notie van het eenvoudige voor Kierkegaards denken fundamenteel.
Het ontstaan van Anorexia Nervosa geeft nieuw inzicht aan het metabletisch tijdsgewricht 1859
Weerstand is er bij Kierkegaard, maar er zijn nog meer afvallers, in letterlijke zin zelfs. Walter Vandereycken deskundig in deze ziekte schrijft in zijn boeiende Van vastenwonder tot magerzucht, dat het begin van anorexia nervosa in 1860 ligt. Het boek bestaat uit twee delen waarvan het tweede deel 127 bladzijden annotaties bezit!
In de geschiedenis van de geneeskunde staan de Engelsman Gull en de Fransman Lasegue geboekstaaft als de ontdekkers van anorexia. In 1873 signaleren zij dit nieuwe syndroom. Echter in 1860 publiceerde Marcé een artikel dat slechts de vergetelheid haalde, de typering van het syndroom door Marcé laat volgens Vandereycken voor het moderne diagnostisch oog geen twijfel bestaan, dat het hier om anorexia nervosa gaat.
In ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ is de nieuwe ziekte anorexia nervosa ontstaan.
Men is gerechtigd om anorexia in ’het metabletisch tijdsgewricht 1859’ in te lijven. Dit krijgt meer reliëf, omdat ze een exemplarisch voorbeeld voortbracht met Eisabeth van Beieren, de latere keizerin van Oostenrijk vooral bekend onder de naam Sisi. In 1857 en 1859 begint ze met hongerkuren. Haar hoogst abnormale eetgedrag gecombineerd met een uitzonderlijke bewegingsdrang wijst zonder twijfel op anorexia nervosa. Haar gewicht was een obsessie. Ze woog zich tot driemaal per dag. De bijzondere lichaamscultuur die de keizerin van Oostenrijk tot de spil van haar leven maakte, was een belangrijk en nieuw sociologisch en cultureel gegeven op een moment dat een nieuwe ziekte verscheen: anorexia nervosa; aldus Vandereycken in zijn belangwekkend artikel ‘De magerzucht van Sisi, keizerin van Oostenrijk’. En dit precies op tijd in het metabletisch tijdsgewricht 1859. Dit duurt immers vier jaar van 1857-1860. Elisabeth van Oostenrijk is volgens Walter Vandereycken het metabletisch prototype van de magerzucht.

ELISABETH VAN OOSTENRIJK
‘SISI’
Zoals de diagram het leven van Florence Nightingale bepaalde zo deed de weegschaal dat met het leven van Eisabeth Van Oostenrijk. Beide waren sterk gebonden aan het ouderlijk huis, hadden een eigen visie op politiek terrein, wat hen als vrouw niet in dank werd afgenomen. Een van de grootste hinderpalen in het streven van Nightingale was, dat in haar milieu iets anders werd verwacht van een vrouw dan als verpleegster door het leven te gaan. Sisi en The lady with the lamb worden als halfzachte wezens in de geschiedenis voorgesteld maar waren sterke persoonlijkheden op het medogenloze af, ze waren erg prestatiegericht en perfectionistisch. Het ongenaakbare duo was obstinaat tegenover hun omgeving met een sterke drijfveer hun eigen weg te gaan.
Is de “coxcomb” metabletisch significant? Ja.
Zowel de weegschaal als het diagram zijn uitingen van kaalslag in het bestaan.
In de statistiek met zijn weergave in grafieken is het diagram de meest afgeslankte vorm van de werkelijkheid.
Het langer worden van de menselijke gestalte
Anorexia vindt vaak plaats in de pubertijd, waarin sinds het midden van de negentiende eeuw een groeispurt te zien is. Tegelijk met deze groeischeut worden de mensen sindsdien eveneens in het gemiddelde langer. We worden steeds groter. De Nederlanders zijn het langste volk op aarde met het gemiddelde van 1.84 voor mannen en 1.71 voor vrouwen en men wil dat graag uitsluitend zien als een barometer van de welstand. Sinds de dertiger jaren proberen de wetenschappers deze acceleratie, het fenomeen dat we allemaal groter worden, te ontraadselen. Met gedurfde hypothesen: “Meer zon geeft meer groei” is er een van, want de Europeanen krijgen meer UV-straling als vroeger. We hebben meer vrije tijd, vakantie in het zuiden en er is een ozon-gat. Maar groeien we daarom onze ouders over de kop? Er werd geopperd dat eiwitrijke voeding een reden voor de groeischeut kan zijn of electromagnetische golven.
Aangezien de mensen in het waarom van het langer worden nog steeds in het duister tasten geeft het werk van de voor ingewijden de belangrijkste bioloog en antropoloog van de vorige eeuw de Zwitser Adolf Portmann belangrijk inzicht. Portmann bracht de verborgen relatie tussen de lichamelijke bouw en de psychische structuur die in de groeispurt en het langer worden, werkzaam is, aan het licht.
Lichaamsbouw en Karakter
Wat nu volgt is allemaal ‘naar Portmann’ en wel uit diens magistrale Biologische Fragmente zu einer Lehre vom Menschen met opzienbarende gedachten waar onder andere, mensen als Jaspers en Heidegger ‘onderste boven’ van waren.

Adolf Portmann
De belangrijkste
bioloog en antropoloog
van de 20e eeuw
Men heeft de zo belangrijke late groeifase in de pubertijd ook de periode van de ‘tweede gedaanteverandering genoemd. Er voltrekt zich in deze periode zowel een verandering in de vorm als in gedrag die zich er goed voor leent om de nauwe samenhang tussen lichaam en psyche, alsmede hun eenheid die ook in de veranderingen naar voren treedt, te demonstreren. Het is de verandering van een overwegend pyknomorfe naar een in wezen leptosome gedaante. Door talrijke metingen heeft men de laatste tijd steeds weer kunnen bevestigen dat belangrijke kenmerken die bepaalde menselijke typen karakteriseren, die door de constitutieleer pyknisch (gedrongen) en leptosoom (lang en tenger) worden genoemd, in de ontogenese van de mens is een opvallende chronologische volgorde aan de dag treden. De vroege ontwikkelingsfase wordt gekenmerkt door pyknische eigenschappen.
Deze periode duurt tot het achtste à tiende levensjaar. De fase tussen het tiende en zestiende levensjaar heeft daarentegen een leptosoom karakter. Deze gedaanteverandering treedt bij ieder individu in min of meer uitgesproken vorm aan de dag, al komt tegen het einde van de rijpingsperiode de definitieve leptosome, pyknische, of daartussen het midden houdende gedaante al enigszins naar voren. Wij kunnen van een vroege pyknomorfe en een daaropvolgende leptomorfe groeitendens in de menselijke ontwikkeling spreken, die weliswaar op verschillende wijze tot uiting kunnen komen, maar waarvan de chronologische volgorde aan vaste wetten gebonden is.
Gelijktijdig met de wijziging in de gestalte- proporties voltrekt zich een aanzienlijke verandering in de psychische activiteit. Hierbij komen de gedragswijzen overeen met de psychische kenmerken, die door het constitutieonderzoek als karakteristieke eigenschappen voor de beide constitutietypen worden beschouwd.
De pyknomorfe periode is een levensperiode die samenvalt met de zogenaamde ‘sprookjesleeftijd’ en tot het achtste à tiende levensjaar duurt. De fantasie van het kind werkt in deze periode met een beperkt aantal figuren en volgt daarbij de wetten van het dromerige, nauwelijks bewuste geestesleven; de beelden volgen elkaar in snelle vaart op, en deze metamorfose voltrekt zich spelenderwijs en wordt al even gemakkelijk als mogelijkheid in de buitenwereld geprojecteerd. Het zieleleven stoort zich in deze periode niet aan de causale relaties van de reële buitenwereld. Karakteristiek is het uitgebreide bewustzijnsveld dat weinig geleding vertoont, de overwegend complexe belevingswijze en de sterkte van het gevoelsleven. Juist deze eigenschappen kenmerken ook het volwassen constitutietype: de voornamelijk op het grote geheel gerichte zienswijze, de voorliefde voor kleuren, het aanpassingsvermogen, de psychische flexibiliteit en het sterk ontwikkelde gevoelsleven.
Hoe geheel anders is de dominant ná het tiende jaar, dus omstreeks het begin van de groeiperiode in de pubertijd. De veelheid aan details wordt beter opgenomen en het beeld dat het kind zich van de hem omringende wereld werkelijk vormt wordt meer genuanceerd. Op grond van talrijke indrukken verwerft het kind zich een zekere levenservaring. Het kritisch vermogen het abstractievermogen en vermogen om wetmatigheden te ontdekken dragen ertoe bij dat het kind deze overvloed aan indrukken ook verwerkt. Hierbij treden de verstandelijke functies sterk op de voorgrond.
Eigenschappen worden geaccentueerd die zeer sterk bij de uitgesproken leptosome variant der volwassenen op de voorgrond treedt.
Wijst het niet op een diepe verborgen relatie tussen de lichamelijke bouw en de psychische structuur, dat twee uiterlijk zo markante ontwikkelingsstadia juist gekenmerkt worden door dezelfde psychische eigenschappen, als wij bij het overeenkomstige volwassen constitutietype waarnemen?
Het probleem van het bijzondere karakter van de hier geconstateerde samenhang vestigt de aandacht op een ander verschijnsel, dat duidelijk verband houdt met de groeischeut in de pubertijd; de door vele onderzoekingen bevestigde toename van de gemiddelde lichaamsgrootte, die men in vele landen waar de westerse cultuur is doorgedrongen heeft waargenomen. Aan dit vastgestelde feit is veel aandacht besteed. Het is bekend dat in de loop van de afgelopen honderd jaar de gemiddelde lichaamslengte in talrijke Amerikaanse en Europese gebieden aanzienlijk is toegenomen.
In feite valt er een toename te bespeuren van het aantal mensen die tot het grote type van het blanke ras behoren.
De belangrijke percentsgewijze toename van het aantal lange mannen is een beetje in de schaduw blijven staan van de meer opzienbarende vage onderstelling dat de mensen ‘groter zouden worden’.
De stedelijke bevolking vertoont vergeleken met de plattelandsbevolking, de ontwikkelingsversnelling en de verhoogde groeiactiviteit in een groter aantal gevallen. Deze verschijnselen doen zich in de schoolleeftijd in zeer opvallende mate bij de kinderen van de beter gesitueerden voor.
Men heeft dit complex van verschijnselen, dat men ook wel ‘acceleratie’ heeft genoemd, van alle kanten bekeken en de oorzaak er van gezocht in talrijke uiterlijke factoren, zoals de voeding, het klimaat, lichtprikkelingen etc., die men vervolgens weer heeft moeten uitschakelen. Men heeft de verschillende theorieën onder de loep genomen. Men kwam tot de slotsom dat er sprake is van ontwikkelingsinvloeden die zich uitstrekken over een bepaald deel van de bevolking dat door een verhoogde vegetatieve, humorale en cerebrale ontvankelijkheid gekenmerkt wordt en over een verhoogde ‘reactiebereidheid’ beschikt. Het veelvuldig voorkomen van deze acceleratie in de grote steden kan verklaard worden door de verhoogde migratie naar de steden, die juist bij dit type sterk naar voren komt.
Dat dit verschijnsel zich vooral in goed gesitueerde kringen voordoet, kan teruggevoerd worden tot het feit dat vooral de mensen met een verhoogd reactievermogen er in de steden in slagen om een belangrijke sociale positie te veroveren.
Portmann onderstelt bovendien een selectieve opeenhoping van die psychische prikkels, waarmee juist de aanleg tot een slanke leptomorfe groei bijzonder overeenstemt.
In het dagelijks leven in de grote steden domineert een geestelijke activiteit, die wij in bijzondere mate als kenmerk van het extreem leptomorfe type kunnen aanmerken. Deze eenzijdige toename van bepaalde geestelijke activiteiten laat zich niet loochenen.
Dat de naar voren gebrachte overeenkomst tussen lichaamsbouw en geestelijke activiteit niet alleen bij de extreme vertegenwoordigers der constitutietypen bestaat, maar ook op soortgelijke wijze tot uiting komt in de beide fasen van de ontwikkelingsgang, alsmede het feit dat het ene aspect van deze correlatie (intellectualisering en lengtetoename) in het voortgezet onderwijs sterk op de voorgrond treedt, kan niet als een toevallige samenloop van omstandigheden worden beschouwd.
De zo opvallend begunstigde lengtegroei wordt teweeggebracht door een bijzonder eenzijdige aanmoediging van een bepaalde geestelijke activiteit, die op de schoolleeftijd in het algemeen en in het bijzonder tijdens de periode van het middelbaar-en hoger onderwijs duidelijke vormen begint aan te nemen maar die ook door de algemene tendens van de geestelijke activiteiten van onze tijd in de hand worden gewerkt. Wanneer een dergelijk eenzijdige begunstiging voortdurend juist die groei-impulsen versterkt die de leptosome groeiwijze veroorzaken worden hierdoor bij ieder individu in een mate die afhankelijk van zijn speciale aanleg op een bepaalde leeftijd proportieverschuivingen teweeggebracht. Bij een latent pyknomorfe aanleg leiden zulke impulsen tot onbeduidende veranderingen. Op een meer leptomorfe constitutie hebben ze echter een belangrijke invloed, zodat naarmate de ontwikkeling de leptomorfe pool meer nadert, de lengtegroei sterker bevorderd wordt en de versnelling van de ontwikkeling in velerlei opzicht wordt begunstigd.
In de loop der tijden is er door de hersenarbeid een suprematie van de verstandelijke vermogens ontstaan, die de nijvere mensheid in het lege gezicht onder het harde voorhoofd staat gegrift en zo is het gekomen dat tegenwoordig schranderheid en domheid alsof er geen andere mogelijkheden bestonden slechts op het verstand en de verstandelijke vermogens worden betrokken hetgeen min of meer eenzijdig is. Deze eenzijdigheid brengt ernstige gevolgen met zich mee. Hierop kan niet voldoende aandacht worden gevestigd. Het belang van deze kwestie eist dat de door ons gepostuleerde samenhang tussen geest en de verschijningsvorm van de hedendaagse mens aan een diepgaand onderzoek wordt onderworpen.
Het verschijnsel van de toegenomen lengtegroei dat wij niet in een optimistisch licht zien, is voor ons een kier in een hecht aaneengesloten geheel, waardoor wij een blik kunnen slaan op een verborgen aspect van ons bestaan en die wij daarom nauwlettend in het oog houden.
Tegenwoordig is men maar al te zeer geneigd om de schoonheidsidealen van de film-mode wereld een rol te laten spelen in de beoordeling van lichamelijke kenmerken. Het gevaar is niet denkbeeldig dat hierdoor het inzicht in de werkelijkheid van ons menselijk bestaan in ernstige mate wordt geschaad”.
Marianne Oskam zegt in ‘Groei’ dat de lengte in Nederland de afgelopen 150 jaar spectaculair is toegenomen. En dat in de afgelopen periode de gemiddelde lichaamslengte in de meeste landen in West –Europa is toegenomen. Zo komen we op het jaartal 1858. Ofschoon zoiets niet problematisch maar onmogelijk is, precies te dateren is nemen we aan dat in ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ (1857-1860) de grondslag voor deze verheviging in de lengtetoename ligt.
Overigens ziet Oskam lengte als graadmeter voor gezondheid, want wat Portmann te berde brengt hoort men in Nederland niets. Ze bekent wel dat het lastig aan te tonen is wat nu werkelijk de oorzaak is van deze spectaculaire lengtegroei van de laatste 150 jaar. “De jaren na 1858 worden gekenmerkt door een periode van economische vooruitgang. Er wordt aangenomen dat de verbeterde kwaliteit van voedsel en de algemene beschikbaarheid van dit gezonde voedsel een belangrijke rol speelt. Op dit moment zijn er aanwijzingen dat de kwaliteit en de hygiënische bereiding van voedsel een grotere invloed hebben dan tot nu toe werd gedacht. Een andere belangrijk aspect van de toenemende lengtegroei is het ontbreken van infectieziekten. Nederland kent zeer goede en toegankelijke gezondheidszorg. Daarnaast bereikt het Nederlandse vaccinatieprogramma tegen kinderziekten 95% van alle in Nederland woonachtige kinderen.
Ook vertelt Oskam dat in de afgelopen 50 jaar 4 landelijke groeionderzoeken uitgevoerd zijn onder de Nederlandse jeugd. Daaruit blijkt dat in 1980 de Nederlandse jeugd tot de langste ter wereld behoort en dat het verschil in eindlengte tussen jongens en meisjes vrijwel onveranderd blijft, zo’n ruim 13 centimeter.
Het resultaat van de vierde landelijke groeistudie 1996/7 geeft aan dat de gemiddelde eindlengte verder is toegenomen. De gemiddelde eindlengte voor jongens is in 1997 184,0 cm en voor meisjes 170,6. Hoewel de snelheid van de groeiverschuiving in de loop der jaren is afgenomen is het niet de verwachting dat de maximum eindlengte al bereikt is. In de afgelopen 17 jaar vond nog een “groei” van 1,3 cm per decennium plaats. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Scandinavische landen waar de groeiverschuiving gestagneerd is”.
Met deze constatering is Oskam waarschijnlijk te ‘optimistisch’. Sinds 1996/7 worden er geen groeihormonen in het vlees meer toegestaan. De extra lengtetoename in Nederland kan men op conto daar van schuiven. Dit is dan zichtbaar in stagnatie van verdere lengtetoename in een groeionderzoek in 2015/20.
De stelling die in ‘het metabletisch tijdsgewricht’ wordt verdedigd is niet, dat de groeispurt en de gemiddelde lengtetoename slechts zijn terug te voeren op één oorzaak, maar dat naast erfelijke factoren, suikers, blootstelling aan licht hoogwaardige eiwitten; op gezag van Portmann urbanisatie, ‘reizbarkeit’ rationalisering van het bestaan, er ook een metabletisch gehalte in werkzaam is.
Het artikel van Vandereycken “De ‘vergeten’ puberale groeispurt” laat zien dat na wat incidentele aandacht, de wetenschap bij geschrifte van Roberts in 1874 en onafhankelijk van hem Pagliani in 1879 zich de groeispurt in de pubertijd herinnerde. Deze puberale groeispurt in zijn algemeenheid was echter niet vergeten maar kwam tot dan toe te weinig als gemiddeld voor om goed opgemerkt te worden. Wanneer we aannemen dat deze groeispurt in het metabletisch tijdsgewricht 1859 van start ging; dan komt dit aan het licht circa 1874/ 79; de pubertijd heeft zich immers sindsdien vervroegd van circa 16 naar 12 jaar tegenwoordig.
We lanceren hier de hypothese, dat de statistiek met diagram en grafiek meer aanzien kreeg, door de toename van gemiddeldes in de werkelijkheid sinds het midden van de negentiende eeuw.
Wanneer Vandereycken in zijn artikel zegt dat “Vergelijking met een norm of standaard, cijfermatig vertaald en visueel weergegeven (cfr. De alom gebruikte groeicurven in de pediatrische gezondheidszorg), is een ‘gebruik’ dat slechts een eeuw oud is. Misschien bestaat daardoor in onze moderne ‘zienswijze’ het gevaar de geringste afwijking van de norm teveel te benadrukken”; dan lijkt deze overaccentuering voort te komen uit de grote behoefte om zelfs de geringste afwijking te bestrijden en het liefst te elimineren zonder zich af te vragen dat met eliminatie er ook positieve elementen ten onder gaan”.
De popularisering van de sigaret en lichaamsbouw
Roken is een ingeburgerde zaak of was; de afgelopen tiental jaren is het minder vanzelfsprekend geworden om overal en altijd te kunnen roken. Ooit was er het rookcafé waar men zich speciaal voor kleedde met een ‘smoking’.
De Krimoorlog leidde tot de geboorte van de moderne sigaret als algemeen genotmiddel. Vechtend aan het front vonden vooral de Franse maar ook Engelse, Sardijnse en Oostenrijkse soldaten die aan de zijde van de Turken vochten het lastig om hun rookgerei mee te moeten sjouwen. Tijdens gevechten moesten ze op hun buik door het land gaan en dan sneuvelden de pijpen. Turken en Russen hadden een dun strootje in de mond waaraan ze tussen alle gevechtshandelingen door konden trekken. De soldaten kwamen thuis met fantastische verhalen over deze rookgenoegens. Vanaf dat moment ging het hard met de popularisering van het sigaretten roken. –Ook Bridge danken we aan de Krimoorlog; dit spel is volgens de Nederlandse Bridge Bond genoemd naar de Galata Bridge, de beroemde brug over de Gouden Hoorn, de haven van Instabul. Aan de andere kant van de brug lag een koffiehuis; Britse soldaten zouden daar tijdens de Krimoorlog ‘bridge’ hebben gespeeld.–
Het verhaal gaat dat een Turkse soldaat, die ontdekte dat zijn pijp door een kogel was verbrijzeld, de eerste sigaret vervaardigde door zijn tabak in een lege papieren patroonhouder te stoppen en hem zo te roken.

Sigaretten rokende
soldaten voor
Seabastopol
in 1855
Voor Pek van Andel, de kenner bij uitstek van serendipiteit, is schaarste de ontdekker; het zou een improvisatie van een bedelaar te Sevilla zijn, circa 1830, die tabak van sigarenpeukjes gebruikte.
In vergelijk met de pijp is de sigaret direct aan, men moest wel een keer of zes vuur slaan voordat de pijp brandt en wanneer een Russische scherpschutter je pijpekop raakt en je mond bloedig opentrekt, wil je wel overgaan op de sigaret. De pijpekop diende wel als neusverwarmer in de bittere kou. Elk nadeel heeft een voordeel om ook eens onze nationale voetbalheld Johan Cruyff te citeren. De belangrijkste reden voor de populariteit van de sigaret is echter de smaak van de Turkse tabak die veel meer dan de zwarte tabak die de Zuid Europeanen liever hadden, aan de wensen van de Noordeuropeanen voldeed.
Handelspolitieke overwegingen en de ervaring met inheemse tabaksoorten via de Grieken in Klein Azië ontdekten de Turken dat er aan de Zwarte zee een tabak groeide die de verfijnde smaak van de Orient sterker tegemoetkwam dan het zwarte spul uit Centraal en Zuidamerika. Een centrum was bij voorbeeld Samsun aan de zuidoever van de Zwarte Zee. Naar deze plaats is het populaire merk Samson genoemd en niet naar de bijbelse figuur, alhoewel de reclamegeest daar later wel op in is gesprongen met de leuze “een leeuw van een shag”.
Om in staat te zijn de kwaliteit te standaardiseren gaf de ongezochte vondst weer ‘acte de présence’.
In Amerika was men gewoon de tabak te kuren in de zon. Deze manier leverde een bruine vlekkerige tabak op, die ongelijkmatig in kleur en aroma was. Daarna nam men het gebruik van de Indianen weer op om de tabak met brandstapels hout te verhitten. Het veredelingsproces werd daarmee bespoedigd en de ongelijkmatige zonnestraling uitgeschakeld. Het resultaat was dat de tabaksbladeren een gelijkmatige bruinige kleur te zien gaven, maar de tabak behield een zekere bijtende scherpte waarvan men wist dat die te danken was aan het houtvuur.
Toen kwam de ongezochte vondst in actie.
Een negerjongen liet het vuur bij de tabakskuur uitgaan. In paniek ging hij naar zijn moeder en deze kwam op het idee om de tabak warm te houden met houtskoolvuur. Dit procédé leverde een blad op dat niet bruin was. Het tabaksblad was goudgeel met een aroma dat in een zekere Slade drong alsof het de ziel van de tabak was.
Dit gebeurde in 1839. Nu was het zo dat deze Slade en zijn broers om niet te achterhalen reden hun tabaksfarms niet in Virginia Kentucky Maryland hadden maar in Noord Carolina, de vuilnisput van Amerika en toevluchtsoord voor afvalligen van de Amerikaanse Natie. Maar slechts de verachte grond van Caswell County waar de broers Slade als eersten de ‘blonde’ tabak hadden verbouwd bezat de voorwaarden om ze de eigenschappen van het lichtende blad te geven. Men kwam er achter dat de grond het beste was wanneer er niet meer als acht tot tien procent leem in de zandgrond was. Nog een voorwaarde was dat op minstens twaalf het liefst op achttien tot twintig duim diepte er een leemlaag lag die de vochtigheid in de zandgrond hield. Hoe minder leem en hoe dieper het zand des te beter de tabak. Een dergelijke grondlaag was er alleen in Caswell County, Orange County met als centrum Durham in Noord Carolina, Pittsylvania Count in zuid Virginia en een klein gebiedje in het oosten van Tenessee.
Men noemde de landstreek de ‘lichtende gordel’ Bright Belt.
Op het eind van de Amerikaanse burgeroorlog werd Durham voor de verhandelingsduur van de vredesbesprekingen tot neutraal gebied verklaard. Waarop duizenden soldaten van de beide legers in de blauwe en grijze uniformen door de kleine gehuchten van Durham pierewaaiden. Zo kwamen ze terecht in magazijn ruimten waar geweldig veel tabaksbalen lagen. Als een Godsgeschenk plunderden de soldaten de tabak. Voor velen de eerst kennismaking met de tabak die daardoor een enorme reputatie kreeg.
De grote vraag bracht James Duke er toe de tabak voor sigarettenproductie te gebruiken.
In 1852 brachten de broers Slade de blonde tabak tot bloei. In het kernjaar 1859 van ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ verbouwde de farmer Washington Duke voor het eerst in Durham het lichtende blad. Het zaad betrok hij van Slade.
Het kan geen toeval zijn dat het roken van sigaretten altijd gunstige voorwaarden vindt in een tijd van oorlog en politieke crisis.
De Krimoorlog speelde dezelfde rol in de popularisering van sigaretten als de Dertigjarige Oorlog in de verspreiding van tabak door Europa.
In Nederland is de gewoonte van het tabak roken omstreeks 1600 geïntroduceerd door de Engelse huurlingen van Prins Maurits.
De Amerikaanse sigaret, waarvan het begin door James Duke lag in 1859, zegevierde en veroverde door middel van de Amerikaanse burgeroorlog de wereldmarkt.
De samenhang van de sigaret als de vriend van de soldaat toont ons Richard Klein aan de hand van een aantal oorlogsromans in zijn Cigarettes are sublime.
Sigaretten bevrijden de soldaat door tijdelijk de wreedheid van zijn toestand te verhullen (achter een rookgordijn?), en bieden de roker de mogelijkheid om intellectueel afstand te nemen van de werkelijkheid.
De ratio wint het van de geest in het darwinisme en marxisme maar eveneens in de sigaret.
Men kan zeggen dat sigaar en pijp roken uiting geeft aan het meditatieve ‘andenkende’ denken en de trek aan de sigaret aan het ‘rechnerische’ het causale denken.
We nemen aan dat de groeispurt en het langer worden in verhevigde mate accelereren omstreeks het midden van de negentiende eeuw, wie weet in ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’. Dan zou anorexia nervosa en de toename in lengtegroei uiting zijn van de grote nadruk op het rationele van de moderne westerse wereld. Toch heeft de ratio een ritueel nodig en vond die in de sigaret, the quick pfiff. Engelsen en Fransen namen na de Krimoorlog dus in ‘het metabletisch tijdsgewricht 1859’ de sigaret over, met zijn korte intensieve genot beantwoordde sigaretten roken aan de behoeften van een nieuw gehaast tijdvak.
De mensen waren tot de negentiende eeuw als regel middelgroot, gezet, tot pijp- of sigarenroken voorbestemde pykcnici.
De agrarische maatschappij wordt door de industriële opgevolgd en naast de stevig gebouwde boer en de zwaarlijvige koopman komt de magere verstandsmens met zijn smalle borst, de onderzoeker en haarklover, te voorschijn en wordt begeleid door bij zijn temperament passende sigaret. De eeuw van wetenschap en techniek was mogelijk omdat het leptosome type talrijker werd.
Er is samenhang tussen lichaamsbouw en rookgewoonte. De leptosoom is de sigarettenroker par excellence. De sigarettenroker behoeft overeenkomstig zijn temperament de korte heftige tien twintig of zelfs veertigmaal op een dag herhaalde nicotinestoot, welke alleen de sigaret in een dragelijke vorm als kettingroker biedt. Past uitstekend bij de industrie, die op de eindeloze herhaling is gebaseerd.
Techniek met zijn pragmatische toepassing in de industrie met zijn daarbij behorende mensvisie van het darwinisme en om niemand aan dit complot te laten ontsnappen zijn alle mensen gelijk en onderhevig aan de tirannie van het menselijk vernuft. Om slechts verstandelijke vermogens van belang te achten is een dwingelandij. Wat ermee onderdrukt wordt is aan ieder persoonlijk. Ten minste als men nog in staat is en tijd heeft om bij zichzelf te zijn en kritisch tegen deze wereld aan te kijken.
Marxisme >< Voetbalspel
In Koude rillingen is de strijd om de evolutietheorie een politieke strijd en wordt de grondslag van het marxisme het historisch materialisme neergelegd in Zur Kritik der politischen Ökonomie het belangrijkste synchronisme van Darwins Origin of species genoemd. Weliswaar is het synchronisme van de anatomie van het hart met de heilige hart devotie het favoriete voorbeeld in de metabletica; maar een van de voornaamste coïncidenties in de metabletica is het marxisme met het voetbalspel in zijn hoedanigheid van protest tegen de anti-hand-aard van de machine.
De gelijktijdigheid marxisme-voetbalspel is het belangrijkste synchronisme van het metabletisch onderzoek; daar kwam de metabletica van de stof uit voort; daar heeft de metabletische futurologie zijn oorsprong met zijn voorspelling van het einde van het voetbalspel en daaraan verbonden het einde van het marxisme. Deze voorspelling kreeg veel kritiek maar Van den Berg blijft er aan vasthouden en gaf daar uiting aan op verschillende plaatsen tussen 1995 en 2000.
Door de marxistische transsubstantiatieve aard van de stof bracht het synchronisme marxisme><voetbalspel Metabletica van God voort.
Wanneer het marxisme een metabletische eenheid vormt met zowel de evolutietheorie als het voetbalspel vragen we ons af: Wat gebeurde er in 1859 met het voetbalspel?
De grondleggers van de moderne rubberindustrie zijn Thomas Hancock en Charles Macintosh.
In 1820 ontwikkelt Hancock zijn masticator waarmee losse rubberstukjes een aaneengesloten massa gaan vormen.
Macintosh gaat met dit halffabricaat regenjassen maken die in Engeland nog steeds zijn naam dragen.
De patenten van de rubberverwerking, toen nog in plakken waren van Hancock. De rubberverwerking had nog veel problemen. Charles Goodyear probeerde rubber beter geschikt te maken voor praktische doeleinden. Hij ontdekte bij toeval, door onvoorzichtigheid kwam een stuk met zwavel vermengde rubber op een hete kachelplaat terecht, het principe van vulcaniseren. Zo gaat het verhaal. Het zou daarmee een ongezochte vondst zijn, een voorbeeldig geval van serendipiteit. Misschien dat het verhaal daarom in stand wordt gehouden. Er zijn ook bronnen die zeggen dat Nathaniel Hayward het vulcanisatie proces zou hebben ontwikkeld. Dat trok de aandacht van Goodyear die met Hayward ging samenwerken en Goodyear pleegt investeringen in het productieproces.
In 1839 werd het vulkanisatieproces uitgevonden, hoewel de term pas vier jaar later werd gebruikt. Door Thomas Hancock, de vermoedelijke dief van het patent. Acht weken voordat Goodyear zijn patentaanvraag indient heeft Hancock precies hetzelfde gedaan op basis van kennis die hij had via de experimenten van Goodyear. Voor de rechter bevecht men zich jaren lang. Een schikkingsvoorstel om de helft van de patentrechten te verzilveren sloeg Goodyear van de hand met als gevolg dat Goodyear in grote armoede in 1860 te New York de pijp uitging.
Waarschijnlijk zit het zo: Hayward vindt het vulcanisatieproces uit, maar door de strijd om de patentrechten verbindt Goodyear er zijn naam aan. Om toch niet als de uitvinder te boek te staan, verzint men het verhaal dat het toeval de uitvinder was
Met de vulkanisatie kon men de plakken samenvoegen tot bij voorbeeld luchtballen en met leer als buitenbal had men een goede voetbal. De patenten van Hancock daarvan eindigen in 1858 (het metabletisch tijdsgewricht 1859) en kon men de productie van deze bal goed op gang laten komen.
Het voetbal werd populair toen de rubbertechniek in 1858 een geschikte bal kon produceren.
Het ontstaan van de lederen bal met de binnenbal van rubber bracht een betere bal voort en was zodoende de oorzaak dat het spel op zich beter gespeeld en daarmee geregeld kon worden. De standaardisering van de bal werkte gelijke regels in de hand.
Door een betere bal kon men sneller uit de voeten dat nog zichtbaar is de naamgeving van voetbal clubs als Go Ahead Be Quick Quick 20 Velox Velocitas Rapiditas enz. Verplaatst men zich sneller dan vraagt een snellere tijd om een snel spel. Door veel meer en betere ballen is men in staat veel meer en vaker tegen de bal te trappen. Het protest tegen de machine in dit strijdvaardige spel kon goed van start gaan.
Een verbindende formule van marxisme evolutie voetbal is strijd; in het marxisme de klassestrijd in de evolutie de strijd om het bestaan en in het voetbal de wedstrijd.
De belangrijkste schakel tussen deze drie is het fenomeen gelijkheid. In de klassestrijd moeten de klassen worden gelijkgemaakt. In de evolutie worden mens en dier gelijkgemaakt. In het voetbal wordt het lichaamsdeel dat in staat is het meest ongelijkheid aan te brengen in de ban gedaan: de hand. In wezen wordt het scheppend vermogen geëlimineerd. Hiermee wordt ook gezegd dat het marxisme en de evolutietheorie tegen de schepping zijn.
Omstreeks 1990
Het lijkt erop dat relatie tussen voetbalspel-marxisme-evolutiegedachte ook omstreeks 1990 aanwezig is.
In het voetbal werd in 1992 een belangrijke maatregel genomen om de hand nog verder terug te dringen. Men schafte de terugspeelbal af, ten minste het werd de doelman niet meer toegestaan de terugspeelbal in de hand te nemen. Een verdere gelijkschakeling onderging eveneens de bal. Men zegt de bal is rond maar dat is nog niet zo lang zo, sinds 1992.
Frank Schaper reisde regelmatig per vliegtuig en heeft behoefte om aan de tirannie van de rechte lijn te ontkomen en ergerde zich aan kaarten in vliegtuigbladen, waarin de vluchtroutes rechte lijnen zijn. Om zich aan de ban van de rechte lijn te onttrekken vond hij dat het toch mogelijk moest zijn kaarten met waarheidsgetrouwe kromme lijnen te tekenen.
Zijn voorbeeld werd de voetbal, want die is net als de aardbol rond. Zo ontwikkelde hij op basis van een voetbal de wereldkaart als set van vijf- en zeshoekige kaartjes, die je kon samenvoegen tot een globe. De voetbal bestaat uit 32 panelen: 12 vijfhoeken en 20 zeshoeken.
Hij merkte dat de vijfhoekjes van een bal verder uit het midden zaten dan de zeshoekjes. Het lukte dat te corrigeren door de zeshoekjes drie kortere en drie langere zijden te geven. Hij kwam tot de conclusie dat de voetbal niet echt rond was en er spanningsverschil was, waardoor hij niet zuiver reageert. Schaper ontdekte dat bij een voetbal de zesvlakken meer versleten en ging aan de slag om een ronde bal te maken en patenteerde het idee in 1992.

De Geo-bal
In 1995 had Nike besloten zich op voetbal te richten en bracht de geo-bal, de bal van Schaper. Deze bal gedraagt zich zeer accuraat, krijgt na een schot snel zijn vorm terug en wijkt niet van zijn baan en produceert daarom veel meer goals. De geo-bal is echt rond dankzij de globe.
De manier waarop dit onverwachte succes tot stand kwam werd geproduceerd door bisociatie in de zin van Koestler en is ook een geval van serendipiteit; een ongezochte vondst. (Het verhaal op zich is voor een groot gedeelte overgenomen van Lex Veldhoen in NRC/H).
In het voetbalspel werd gelijkheid nog meer gerealiseerd door de nieuwe geo-bal en een nieuwe spelregel voor de keeper in het voetbal.
Door opheffing van de Berlijnse Muur in 1989, het ijzeren Gordijn en het uiteenvallen van de Sowjet Unie werd het onderscheid oost-west opgeheven, werd de westerse mens helemaal genivelleerd en op marxistische leest geschoeid. In het kapitalisme is de marxistische idee veel meer bevestigd dan in het communisme.
In dezelfde tijd wordt het verschil tussen mens en dier weggevaagd door aan te tonen dat ze aan een zelfde genetische code gehoorzamen. In 1990 begon het Human Genome Project om het menselijk genoom in kaart te brengen.
Acceleratie-Anorexia-Metabletica
Om acceleratie (extra groot worden) en anorexia (magerzucht) met de metabletica te verbinden deed W. von Bayer reeds in een kleine studie uit 1959: ‘Metabletica-Bemerkungen zum gleichnamigen Werke von J.H. van den Berg, zugleich zum Problem der Pubertätsmagersucht’.
Waar metabletische voorvallen zich ontwikkelen was het gepast in de leer der veranderingen aandacht te schenken aan het feit van de acceleratie.
Voor von Bayer is het historische niet te scheiden van het biologische. De historisch ontstane kloof tussen het kind-zijn en volwassen-zijn- de leemte daardoor ontstaan lijkt door de natuur opgevuld te worden door een versneld proces van groei alsof het lichaam zich uitgenodigd zag, om in de bres te springen die door de cultuur was geslagen. De grote kinderen contrasteren in hun gedrag met hun voortijdig ontwikkeld lichaam, en zijn zo een van de redenen waarom de kloof tussen kind- en volwassen zijn tegenwoordig zo voelbaar is.
Von Bayer gelooft ook dat de leer van Van den Berg een licht op de pubertijdsmagerzucht kan werpen omdat die in veel facetten nog zo raadselachtig is. Het metabletisch principe draagt er toe bij de antropologische horizon in stelling te brengen waaronder het beleven en het gedrag van de magerzuchtigen is te verstaan.
Louter symptoombeschrijving kan er al moeilijk van afzien om antropologisch te spreken, dat wil zeggen zich oriënteren aan het geheel van de beleefde zin van de vreemde gedragswijze, die zich als ontkenning van de voedzame kant van de lichamelijkheid, opdringt. Daarmee is nog niets over de werkende oorzaak van deze ontkenning verklaard.
En von Bayer bespeurt met van den Berg dat de impact van wetenschap en techniek steeds groter wordt en de polariteit tussen kind en volwassene vergroot en de overgang naar volwassenheid moeilijker maakt.
Rijpingscrisissen neuroses leerzwakheid jeugdcriminaliteit zijn nooit alleen uit individuele voorwaarden af te leiden, maar voorbereid door de algemene moeilijkheid volwassen te worden.
Von Bayer meent dat juist wanneer er een te bevatten individuele motivatie ontbreekt, het metabletisch principe tot zijn recht komt.
Pubertijdsmagerzucht is nauw verbonden met het geslachtsleven en hangt samen met de bijzondere problematiek van de rijping van de vrouw. Het gaat bij het meisje om een dieper ingrijpende, indrukwekkender verandering van haar lichaam naar gestalte, functie en sociale rol, dan bij de jongen. De vrouw moet klaarkomen en in haar bewustzijn opnemen; de belevenis van de eerste menstruatie, de anticipatie op het bedrijven van de liefde en het kinderen baren.
Van het meisje in de pubertijd uitgezien is de anticipatie op het vrouw worden, een opgave. Om niet alleen met een natuurlijke verandering te maken te hebben, maar bovendien een sociale rol te krijgen, waarvan een verlies aan vrijheid dreigt.
Wat Simone de Beauvoir van de vrouwelijkheid als tweede sexe zegt is nog altijd van toepassing. “Wat nu op eigenaardige wijze het bestaan van de vrouw begrensd is dat ze, ofschoon als ieder menselijk wezen met een autonome vrijheid, zich ontdekt en zich kiest in een wereld, waarin de mannen haar verplichten zich als ‘het andere’ te zien: Men doet moeite haar tot een ding te objectiveren en haar tot immanentie te veroordelen, omdat haar transcendentie ja onophoudelijk door een ander essentieel en soeverein bewustzijn overtroffen wordt. Het drama van de vrouw bestaat in het conflict tussen de fundamentele eis van elk subject dat zich altijd als het wezenlijke stelt, en de verzoekingen van een situatie die ze als onwezenlijk vaststelt”.
De centrale angst van het jonge meisje voor de volwassenwording kan zo ook uit het gezichtspunt van de metabletische cultuur- en geestesverandering inzichtig worden. Zou een metabletisch gezichtspunt zijn juistheid hebben, dan was de proef op voorbeelden het bewijs, dat de pubertijdsmagerzucht in die tijden niet bestond, waarin het vrouw worden en vrouw zijn betrekkelijk onproblematisch en vanzelfsprekend was en de kloof tussen de wereld van het kind en de volwassene niet in de huidige vorm bestond.
In ieder geval verdient het voor von Bayer in aanmerking genomen te worden dat de eerste duidelijke beschrijvingen van anorexia nervosa uit de bloeitijd van de Victoriaanse tijd, uit Engeland en Frankrijk van de 60er en 70er van de negentiende eeuw, stammen.
Dat de studie van Von Bayer Duitstalig is; daaruit blijkt dat het werk van Van den Berg in Nederland nauwelijks wordt gebruikt. In de gezinssociologie, pedagogie enz. wordt uitentreuren Ariès genoemd maar bijna nooit van den Berg; dit in tegenstelling met de Duitse lectuur daar schrijft Klaus Arnold in Kind und Gesellschaft in Mittelalter und Renaissance dat “van den Berg in der Prazision vieler Beobachtungen und der Pragnanz seiner Formulierungen Ariès ubertrifft”. Arnold is niet de enige in het Duitse taalgebied. Het is ook in een Duitse studie van Barbara Duden Geschichte unter der Haut waar de waarschuwing voor de ‘Einbusze’ te lezen is om de ‘Metabletischen Analyse nicht ernst zu nehmen’. En dat slechts op basis van één vertaling, die van Metabletica, het enigste boek dat in het Duits is vertaald!
Anorexia nervosa
Is deze ziekte, gelijktijdig met de afstammingsleer, een protest tegen het beest in de mens dat steeds meer uitdijt. Vanaf het midden van de negentiende eeuw groeit de mensheid in omvang, de anorexia nervosa wil mager zijn, de mensheid groeit in lengte, veel van de jonge patiënten groeien niet in lengte, de mensheid groeit in aantal, bij anorexia nervosa menstrueert men niet, dus onvruchtbaar.
Uit het synchronisme van de anorexia nervosa spreekt dat zij contra zijn en wel tegen het beest in de mens! Maar behelst anorexia ook geen contra tegen de wetten van de natuurwetenschap, tegen het cijfermatige zoals ’n wet van Fechner?

Anorexia nervosa
Een urbanisatietrauma
als metabletisch teken.
Veel anorexia nervosa-patiënten bezitten een niet-creatieve, reproductieve vlijt, die doet denken aan de leergierigheid van schoolkinderen. Hun vermogen om uit het hoofd te leren is ongelofelijk.
Zijn zij slachtoffer van een intellectueel kannibalisme. Eigenschap van wetenschap is het bijgeloof aan feiten, een vorm van rationele zwakzinnigheid.
De ascese van de anorexia is niet alleen van lichamelijke maar ook van intellectuele aard. In deze staat van ontkenning kan men spreken van ‘Sancta Anorexia’.
Op het eind van zijn leven kreeg Darwin het besef dat in zijn afstammingsleer de mens de geest geeft. In de voedsel-afwijzing van menig anorexia-patiënt bekoopt deze het met de dood.
Of na Kierkegaard: “Dood zou ik gegaan zijn, ware ik niet dood gegaan”.
De oer-anorecta Sisi was een fanatiek rookster van de sigaret; deze afgeslankte sigaar; bij het uitblazen van de rook kunnen we steeds zeggen
dat men de geest geeft.
Wanneer we samen met de apen van een gemeenschappelijke voorouder afstammen, vallen we af en valt er een extra contra schaduw op het metabletisch tijdsgewricht 1859.
Bibliografie:
Pek van Andel: Ongezochte vondsten Een ABC van Serendipiteit 2001
Klaus Arnold: Kind und Gesellschaft in Mittelalter und Renaissance.1980
H. Aschenbrenner: Handbuch des Tabakhandels 1950
W. von Bayer: Metabletica-Bemerkungen zum gleichnamigen Werke von J.H. van den Berg, zugleich zum Problem der Pubertätsmagersucht. Der Nervenarzt 1959
J.H. van den Berg: Metabletica 1956
Leven in meervoud 1963
Kleine psychiatrie 1964
De psychiatrische patient 1965
Metabletica van de materie 1968
Dieptepsychologie 1970
De Reflex 1973
Gedane Zaken 1977
Geestelijke gezondheid, metabletisch-historisch beschouwd in ‘Veranderende gezondheidszorg’ 1977
Hoogte in de kerkbouw 1980
Koude Rillingen over de rug van Darwin. 1984
Hooligans 1989
Metabletica van God 1995
J. Bouman: Oude auto’s. 1964
Ernst Bloch: Das Prinzip Hoffnung 1959
Arnold Brackman: A Delicate Arrangment 1980
G.A. Brongers: Pijpen en tabak 1964
Van gouwenaar tot bruyere pijp 1978
Harry van der Bruggen: De verpleging in Nederland en het werk van Jan Hendrik van den Berg
De verpleging op het glibberige pad-Metamedica 1982
Naar een antropologische verpleegkunde 1987
De delta van de Nederlandse verpleging 1988/1992
Patiënt privaat en privacy 1991
Ilse N. Bulhof: Betoverende wetenschap 1988
Robert Carpen: Die Weisse Kette. 1955
Jacques Claes: Psychologie:een dubbele geboorte 1980
De wieg van het verdriet 1983
Onderwijzen: het wonder wijzen 1987
Gezag & Zeggenschap 1992
Waken bij werkelijkheid 1994
Homo sapiens of homo paradoxalis? 1996
Mijmeringen over de twintigste eeuw 1999
Onder de koepel van het Pantheon 1994. Liber Amicorum Jacques Claes
E.C.C. Corti: Elisabeth die seltsame Frau
Darwin’s Meesterwerken. Het ontstaan der soorten.
Derde druk met de historische schets
Wim Dekkers: Metabletica herlezen. Tijds.v.Geneesk.en ethiek nr. 1 2003
Didde/Evenblij: Eten voor de groei. Natuur & Techniek febr. 2003
Udo Doedens:Het eenvoudige leven volgens Søren Kierkegaard.1999
Barbara Duden:Geschichte unter der Haut.1987
Joachim Frank: Pfeifen-Brevier oder von der Kunst Genuszlich zu rauchen
F. de Graaff: Het Europese nihilisme 1956
Als goden sterven 1969
Anno Domini 1000 Anno Domini 2000. !977
Bespeking van Koude Rillingen in Reformatorisch Dagblad 1985
Jezus de Verborgene 2 dl. 1987/89
Israel Hellas Rome 1993
Dick Hillenius: De sprookjesachtige kanten van Charles Darwin NRC/H 1985
Marius Jacobs: Metabletica televisie botanie belletrie-Streven-1975
Bedreigde plantensoorten, universiteiten en botanische tuinen in ontwikkelingslanden. Natura febr.1978
Revolutions in plant deschriptions in Miscellaneous Papers 1980
Het tropisch regenwoud 1982
Richard Klein: Cigarettes Are Sublime. 1993
Arthur Koestler: The Sleepwalkers 1959
The act of creation 1964
The Ghost in the Machine 1967
The case of the midwife toad 1971
The Roots of coincidence 1972
Janus-A summing up 1978
Christien Lafeber: Anorexia Nervosa 1971
Marianne Oskam: Groei. 2003
Willem Ouweneel: Metabletica van 1859 in Bijbel en Wetenschap 1981
De geboorte van de 20e-eeuwse mens in Bijbel en Wetenschap 1982
Een derde verdichting 1948 in Bijbel en Wetenschap 1982(3)
Boekbespreking Hooligans in Bijbel en wetenschap april 1990
Zie,hoe alles hier veranderd in Radix 1991
De negende koning 1996
De zevende koningin 1998
De zesde kanteling 2000
Het Godsgetal 2002
S.T. Parabirsing: De metabletische methode.1974
Rob van der Peet: Florence Nightingale en haar visie op het verplegen in relatie tot het leven en werk van Charles Darwin Tijds. voor ziekenverpleging 1983
Penning de Vries: De stand van de metabletische geschiedschrijving. Wending 1969
Robert D. Romanyshyn: Psychological Life 1982
Hugh Small: Florence Nightingale, avenging angel 1998
Jan van Spaendonck: De metabletische methode in Gedrag 1975
Ida Stamhuis: Florence Nightingale statistiek de belangrijkste Wetenschap. Euclides 71-6
P.J. van Strien: Boekbespreking over Leven in meervoud in
Ned.. Tijdsschr. V.Psychol. 1965
Jurgen Thorwald: Das Jahrhundert der Chirurgen
Walter Vandereycken: Van vastenwonder tot magerzucht 1988
De ‘vergeten’puberale groeispurt. Kind en adolescent nr.1 1987
De magerzucht van Sisi,keizerin van Oostenrijk.Spiegel Historiael 1995
Lex Veldhoen: Geo-bal: echt rond dankzij de globe. NRC/H 2003
Cornelis Verhoeven: Verdriet. De Tijd 1983
Inleiding tot de verwondering 1967
Sander Voormolen: Darwin vergat te verwijzen NRC/H 2003
P.H.H. Vries: De historicus als spoorzoeker. Theoretische Geschiedenis nr. 2 1988
P.A. Vroon: Psychologie filosofisch benaderd. De Volkskrant 1980
Alfred Russel Wallace: Het Maleise eilandenrijk. 1996
Charles Darwin Herinneringen. 1998
Ad van Weert: Van tondeldoos tot turbo 1995
C.J.J. Wiedkamp: Florence Nightingale. 1954
Hub Zwart: Boude bewoordingen 2002