Ruud Hemel
Maarten ’t Hart:Harry Mulisch en de metabletica van J.H. van den Berg is een belangwekkende verhandeling die je in handen zou wensen van alle Mulisch-kenners en bewonderaars.
Harry Mulisch en de metabletica van J.H. van den Berg
Wer darf ihn nennen
Und wer bekennen:
Ich glaub ihn
Wer empfinden
Und nicht unterwinden
Zu sagen: ich glaub ihn nicht
Goethe
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Christus komt niet terug
Harry Mulisch
Ik geloof in de wederkomst
J.H. van den Berg
Inleiding
Er Is een correlatie tussen de metabletische methode van J.H. van den Berg en de literaire alchemie van Harry Mulisch. Tevens is er invloed van de metabletica op het literaire oeuvre van Mulisch.
Een eerste entree tot deze stelling is dat Mulisch In Het seksuele bolwerk bekent dat de ‘metabletische Van den Berg’ een grote leeservaring voor hem was.
De grootste stimulans ging uit van Hans Ree die een column publiceerde waarin hij er op zinspeelt dat de metabletische reeks van belang is voor het werk van Mulisch.
Een andere belangrijke impuls ging uit van een artikel waarin Nico Laan betoogt dat de werkwijze van Mulisch in Het seksuele bolwerk psychoanalytisch zou zijn. Deze bewering maakte mij bewust dat Mulisch in Het seksuele bolwerk niet de psychoanalyse toepast maar als metableticus zijn onderwerp behandeld. Als gevolg daarvan komen we tot de stelling: Het seksuele bolwerk is autobiografisch op metabletische grondslag.
Het allereerste begin van dit boekje lag in een lijst van literaire auteurs die iets met de metabletica van J.H. van den Berg hadden. Harry Mulisch was er een van.
Toen me werd gevraagd om alles over de invloed van Van den Berg op Mulisch bij elkaar te zetten, kwam ik er achter dat dit steeds meer uitgewerkt en uitgebreid kon worden.
Synchronismen zijn de harde kern van de metabletica.
Persoonlijk kwam ik 21 maart 1970 in aanraking met het oeuvre van Mulisch en met dat van Van den Berg op 7 januari 1971. In metabletische zin kan men dat een synchronisme noemen.
Over inhoud en het gevolg van dit synchronisme gaat dit boekje.
Kennismaking met het oeuvre van Harry Mulisch
Midden jaren zestig maakten de happenings in Amsterdam met de publiciteit die dat gaf de nodige indruk. Deze jonge geest uit de provincie vond de provo’s indertijd fascinerend. Zelfs zo sterk dat Amsterdam mijn woonplaats werd.

Harry Mulisch
Gelijktijdigheid is altijd belangrijker dan oorzakelijkheid
(Harry Mulisch in De verteller vertelt)
Daarvoor, nog tijdens mijn schooltijd hadden we een retraite in een klooster te Zenderen. De pater die deze bijeenkomsten leidde maakte daar een terloopse opmerking over ‘de provo Harry Mulisch’, die me is bijgebleven. Bekende provo’s vanuit de krant waren Rob Stolk, Hans Tuynman, Luud Schimmelpenning, Roel van Duyn, Jasper Grootveld enz., en daarbij viel de naam Mulisch nooit. De herinnering aan de opmerking van de pater zorgde er voor toen ik jaren later, in 1970, boeken ging kopen Bericht aan de Rattenkoning van Mulisch een van de eerste boeken was die ik aanschafte (21.3.1970).
Voor Mulisch gaat Bericht aan de Rattenkoning niet over het gebeuren in Amsterdam van de jaren zestig maar is deel van dit gebeuren.
Gelijk het baldadige van provo is het een ludiek bericht.
Het is een geweldig boek. Mij op het lijf en met veel humor geschreven.
Ik las het met plezier in een ruk uit en ging als gevolg meer boeken van Mulisch lezen.
Het woord bij de daad vond ik gedreven, zeer boeiend. Het seksuele bolwerk en De zaak 40/61 stonden iets verder van me af en werden toen als iets minder ervaren. Voer voor psychologen en De toekomst van gisteren te fragmentarisch. De romans kreeg ik geen vat op en pakten me niet, kwam er eenvoudigweg niet door. Zo toegankelijk Bericht….was, zo ontoegankelijk De verteller, dit boek zei me helemaal niks. Mijn getijdenboek leek me iets van een ijdeltuit, te narcistisch. Was niet in staat deze boeken te lezen. Twee vrouwen vond ik ook niets. Haakte toen in principe af om de draad met De ontdekking van de hemel weer op te pakken. In de tussentijd alleen De compositie van de wereld in 1980 met genoegen tot me genomen; in zo’n dik boek zitten altijd wel aangename passages.
Kennismaking met het oeuvre van Jan Hendrik van den Berg
Een van mijn zussen maakte de overstap eind jaren zestig van verpleegster in een ziekenhuis naar een psychiatrische inrichting, en wel Brinkgreve te Deventer.
In haar opleidingstijd nam ze wel eens de leerboeken psychiatrie mee naar het ouderlijk huis. De psychoanalyse en de typologie van Kretschmer maakten veel indruk, zonder dat ik het allemaal begreep, ging er een sterke suggestie van uit dat wanneer je Kretschmer en Freud begreep je de mens veel beter zou begrijpen. Zo vroeg ik in een lokale boekhandel naar een werk over dieptepsychologie en raakte in het bezit van Dieptepsychologie door J.H. van den Berg (7.1.1971) dat net uit was. Het boek was op voorraad; in die tijd was Van den Berg nog een auteur van ‘bestsellers’,
Dieptepsychologie beleefde acht drukken en was de laatste bestseller van de meest vertaalde auteur van Nederland J.H. van den Berg.
De opmaak en presentatie van de stof deden mij het boek steeds weer ter hand nemen. Er zit een metabletische laag in maar die ontging me in die tijd helemaal.
Qua thematiek ligt Leven in Meervoud het dichtst bij Dieptepsychologie. Freud en zijn psychoanalyse heeft er zijn plaats in, zodat Leven in meervoud 1963 het volgende boek was dat ik las van Van den Berg. Het was een bijzonder interessant boek. Het overdonderde me door de stelling met de onderbouwing dat de narcose werd uitgevonden en toegepast omdat de pijngevoeligheid was toegenomen! Deze toename van pijngevoeligheid was weer een gevolg van de grotere eenzaamheid en men was weer eenzamer omdat de dingen minder boeiden en de dingen boeiden minder omdat het industriële dingen waren. Van den Berg kwam uit op een conclusie die me in verrukking bracht: “Hoe fabrieksmatiger de speld werd bereid, des te pijnlijker werd de prik van haar punt”.
De samenhang die hier tussen pijngevoeligheid, industriële producten en narcose werd vastgesteld, was de eerste metabletische zingeving die uit het werk van Van den Berg tot me doordrong; een wonderlijke ongeëvenaarde bewustwording, waarbij het was alsof de schellen van mijn ogen vielen. Een onuitwisbare indruk!
Een ander verrassend verband ontdekte Van den Berg tussen marxisme en voetbalspel. Voetbal is anti hand vanuit de spelregels en marxisme is ontstaan vanwege dat de industriearbeid anti hand is. In de verhouding machine-hand moet de hand zich naar de machine richten en daar verzet het marxisme zich tegen.

Jan Hendrik van den Berg
Geen synchronisme in de geschiedenis is zonder betekenis
(J.H. van den Berg in Het menselijk lichaam deel II)
Ook het verband tussen het meervoudige ik en de fotografie trof mij. Het ‘ik’ viel uit elkaar en was in meervoud aanwezig. Alleen wanneer er verschillende ‘ikken’ zijn kan het fototoestel er een ‘ik’ van nemen.
Deze drie voorbeelden zijn natuurlijk kort door de bocht. De beste introductie tot het oeuvre van J.H. van den Berg blijven zijn eigen geschriften, zonder meer aan te bevelen en antiquarisch nog volop te koop.
Door het lezen van Leven in meervoud werd ik ervan bewust dat gelijktijdigheden samenhangen en raakte ik in de ban van de metabletische ideeën van Van den Berg die me nooit weer hebben losgelaten.
Beide auteurs, Mulisch voornamelijk met het essayistisch werk (de romans deden me weinig), ben ik sinds het begin van de jaren zeventig altijd trouw gebleven.
Kennen Mulisch en Van den Berg elkaars werk?
Het is me niet bekend dat Van den Berg een bijzondere waardering voor het literaire oeuvre van Harry Mulisch heeft. In tegenstelling tot zijn leermeester de toen bekende psychiater H.C. Rümke, die in 1964 in zijn essay Over Frederik van Eeden’s van de koele meren des doods schrijft, dat hem in jaren geen schrijver zó heeft getroffen als Mulisch.
Harry Mulisch heeft wel een bijzondere betrekking met het werk van J.H. van den Berg. In welke mate? Daar gaat ‘Harry Mulisch en de metabletica van J.H. van den Berg’ over.
Expliciet noemt Mulisch Van den Berg twee maal in zijn geschriften. In Het seksuele bolwerk uit 1973 noemt hij als zijn grote leeservaringen Freud, Jung en Ouspensky ook de metabletische Van den Berg. Later in ‘MEM of De verhouding van literatuur en natuurwetenschap’ uit 1994 noemt hij de metabletica van Van den Berg een poging tot verklaring van synchroniciteit.
1973 -1994 laat een constante belangstelling zien. Opvallend is dat hij in beide gevallen het noemen van Van den Berg en metabletica, Mulisch dit vergezelt laat gaan met een woord met negatieve lading. In Het seksuele bolwerk noemt hij zijn leeservaring met Van den Berg ‘minder’ dan die van de anderen. En in MEM vindt hij de metabletica ‘verbleekt’.
Dat Mulisch zijn leeservaring met Van den Berg minder dan die van de andere drie noemt is begrijpelijk. Toen hij Freud Jung en Ouspensky las, waren deze met hun oeuvre klaar, zodat men zijn leeservaring tot een afgerond geheel kan maken. Terwijl hij al een grote intellectuele bagage had las hij Van den Berg, vergeleken met de anderen mondjesmaat, in een groter tijdsverloop. Freud Jung Ouspensky las hij omstreeks 1945. Metabletica verscheen in 1956 en de beide delen van Het menselijk lichaam in 1959 en 1961. Dit was veel later. Ik neem aan dat de beleving op 20-jarige leeftijd veel intenser is dan met 30 of 40 jaar. De ervaring met Freud Jung Ouspensky deed hij op in een kort tijdsbestek en op de leeftijd die je er zeer ontvankelijk voor maakt. Het lezen van Van den Berg vond later plaats en was dus ‘minder’.
In MEM vindt Mulisch de metabletica verbleekt. Mulisch staat daar niet alleen in. Een andere literaire figuur Maarten ’t Hart schreef me in een persoonlijke correspondentie dat: “Vergeleken met de geweldige Schwung van ’t eerste Metabletica boek en de twee prachtboeken over ’t Lichaam en het boek Leven in Meervoud is er van de flair en de overtuigingskracht van Van den Berg helaas maar weinig overgebleven”.
In de vijftiger en de zestiger jaren is over deze boeken die Maarten ’t Hart noemt enorm veel geschreven. Na begin zeventig ebde de belangstelling weg. Dat kwam mede door Van den Berg’s houding over Zuid Afrika. Hij trok zich niets aan van de boycot. Vandaar de dramatische recessie in de receptie. (In 1993 wordt de apartheid opgeheven en komt de receptie weer op gang). Omdat het niet meer bon ton was om over Van den Berg te spreken en zijn werk niet langer in aanzien stond, keerde men hem de rug toe en vond men dat zijn werk geen overtuigingskracht meer had of het was zoals bij Mulisch ‘verbleekt’. Maar dat is in strijd met de inhoud, want ook buiten de metabletische zingeving om, is een groot gedeelte van De Reflex 1973, Gedane Zaken 1977, Koude Rillingen 1984 en Hooligans 1989 van hoog gehalte en van grote waarde om onze tijd te verstaan.
Deze boeken verdienen het niet doodgezwegen te worden.
Ik vermoed dan ook dat Mulisch de metabletica ‘verbleekt’ vindt, vanwege dat hij niet samen met Van den Berg door de metabletische deur wil en als metableticus geboekstaafd wil worden.
Vanwege de boycot van Zuid Afrika?
Dat het daadwerkelijk lak hebben aan de boycot (Van den Berg ging tijdens de boycot regelmatig voor langere tijd naar Zuid-Afrika om gastcolleges te geven) er aan debet is dat Mulisch Van den Berg nauwelijks noemt, blijkt uit dat hij Jung, de andere grondlegger van synchroniciteit, wel noemt en alle lof geeft als inspiratiebron.
Ideologisch beantwoordt Jungs leer van ‘het collectief onbewuste’ aan de fascistische mens met zijn mythe van ras bloed en bodem en is er als het ware een weerspiegeling van en ook in de werkelijkheid was Jung fout, want in het begin van de oorlog collaboreerde hij met de nazi’s (Van den Berg zat in het verzet kwam in een dodencel waaruit hij op miraculeuze wijze ontkwam).
Ondanks dat rekent Mulisch Jung dat niet zo erg aan, schrijft over hem en maakt gebruik van zijn begrippen apparaat.
Er is alle reden dat we er rustig van uit kunnen gaan dat Mulisch zich in zijn studeerkamer intensief met metabletische synchronismen bezig hield.
In het Jung jaar 1975 was het 100 jaar geleden dat Jung werd geboren; ter gelegenheid daarvan vonden in oktober in de aula van de Utrechtse Universiteit vier lezingen plaats. Die van Aalders/ Plokker/ Quispel werden in Jung~een mens voor deze tijd gepubliceerd.
Harry Mulisch kwam er 24 oktober de vierde lezing houden om over synchroniciteit te spreken; men vraagt zich af of hij daar nog wat over de metabletica van J.H. van den Berg heeft gezegd, zal wel niet.
Fascisme is blijkbaar minder erg dan het in de wind slaan van de boycot van Zuid Afrika.
De recessie in de receptie van de metabletiek valt precies samen met de twee keer dat Mulisch Van den Berg aanhaalt 1973-1994.
De invloed van de metabletica op De Verteller
Hans Ree vertelt in zijn column ‘Ingewanden’ later opgenomen in zijn bundel Holland verlicht, dat “in De Verteller van Mulisch een radiotoespraak voorkomt waarin de spreker uitlegt dat een mens geen ingewanden heeft, dat het menselijk lichaam leeg is, dat er zelfs geen lucht daarbinnen is, er is alleen het niets. Maar als een mens op de operatiekamer ligt en er wordt in hem gesneden dan zien we toch duidelijk dat het lichaam wel degelijk ingewanden heeft, de radiospreker merkt op; het zijn geen ingewanden, het zijn uitgewanden, buiten het lichaam. Ingewanden heeft nog nooit iemand gezien en ze bestaan ook niet. Alleen als het lichaam geschonden wordt, dan stolt het Niets dat in het lichaam was in de buitenwereld tot iets dat er daarvoor niet was, de uitgewanden van de mens”.
Volgens Ree wordt het niet meegedeeld in De Verteller maar moet deze radiospreker de metableticus J.H. van den Berg zijn, want de redenering die hier geparodieerd wordt komt voor in deel I Het geopende lichaam van diens boek Het menselijk lichaam. Een levend mens heeft geen hersenen, geen ruggegraat, geen leven. Het opengesneden lijk heeft ze wel, maar dat is geen mens.”
Echter de radiospreker was volgens mij niet Van den Berg maar de predikant A.A. van Ruler met een radiopraatje over Het Menselijk Lichaam en werd uitgezonden 10 november 1960 door de AVRO
Ree doet in zijn column een oproep aan studenten om de invloed van de metabletica op het werk van Mulisch na te gaan en om het filosofisch levenswerk van Mulisch De compositie van de wereld als een parodie op het oeuvre van J.H. van den Berg te beschrijven. Dit is geen wilde suggestie van Ree. Er is zeker verwantschap van De compositie van de wereld met het oeuvre van Van den Berg. In overeenstemming met De compositie van de wereld is de metabletische reeks een scheppingsverhaal, maar dan in vele afleveringen.
Ingewanden van Hans Ree heeft me zeer geholpen en was een grote stimulans om nader in te gaan op de invloed van Van den Berg op Mulisch
We komen later op de betekenis van ‘Het Getal’ terug. Het volgende als voorproefje is wel gepast hier te vertellen. De verteller vertelt (Mulisch vond het nodig een en ander aan De verteller voor de critici te verduidelijken) is een dubieuze woordspeling. Het boek baseert zich op de pythagorese getallenleer waarin 10 een belangrijke rol speelt. Het boek bevat 10 zegels, hoofdstukken. Het product van de eerste tien getallen is 3628800, beeldt de som van alle mogelijkheden en van alle zijnden uit. Daarom is 3628800 het absolute getal, het mathematische beeld van het Al of het Absolute.
In Over Harry Mulisch Kritisch nabeeld schrijft P. Meeuse in zijn artikel ‘Mulisch als maniërist’ dat in de eerste druk van De verteller vertelt abusievelijk 3628700 staat. Meeuse kan dit wel menen maar dan is het wel een opzettelijk vergis, daar in de derde druk van De verteller vertelt nog steeds 3628700 staat. Een van de grootste vertellers is Harry Mulisch en zelfs die kan zich vertellen. Mede om aan te geven dat het absolute getal niet zo absoluut is of er zit een spatje relatief aan. Altijd is er een ontsnappingsclausule. Een groot verteller is als een groot jager bij wie het ingesloten wild toch een zijde heeft waar het ontkomen kan. Afijn. De titel krijgt er een aangenaam letterlijk te nemen waarheidsgehalte door.
Piet Grijs betrapte Mulisch in De Verteller op een kleine domheid en schrijft over het getal 3628799: “Maar wie vele pagina’s van een boek met rekensommen vult moet niet zo dom zijn dat grote getal door 159 te delen, want een getal dat niet door 3 deelbaar is kun je evenmin delen door een getal als 159, dat zelf door 3 deelbaar is”.
Mulisch reageerde daarop in De Verteller verteld: “Als ik gewild had dat Joris een geniale teller was geworden, dan had ik daar voor gezorgd. Maar dat heb ik niet gewild, want Joris is niet zo zeer iemand die kan tellen maar iemand die zich kan vertellen”.
Toch is Harry Mulisch geen Willy Wortel, dat laat Hans Ree zien in een NRC/H column ‘Rekenen’ uit 1989 (opgenomen in Rode dagen en zwarte dagen) “Mulisch rijdt slechts een halte mee in de tram en is geïnspireerd tot een filosofisch-mathematische beschouwing ‘Vijf meditaties over het toeval’ en vraagt zich af hoe groot de kans is dat al zijn medepassagiers elkaar nog een keer in de tram zouden treffen op precies hetzelfde traject?
Het antwoord van Mulisch is dat het heelal te klein is om het papier te bevatten waarop het aantal nullen achter de komma staat, dat nodig is om die kans te beschrijven.
Het antwoord van Ree is vierhonderdvijftig nullen; een heel blocnootje vol en schrijft dat de fout van Mulisch zo groot is als het verschil tussen een blocnootblaadje en het heelal. Het antwoord van Mulisch kan alleen gegeven worden als hij niet het minste benul heeft van kansberekening en evenmin van de werking van het tientallig stelsel. Voor Ree rekent Mulisch volgens de methode van primitieve stammen: een, twee, drie, veel, heelal”.
In een interview met Max Pam bekent Mulisch dat hij niet kan rekenen en dat de berekeningen in De Verteller zijn gemaakt door Hein Donner. Dit vertelt Piet Grijs (onder een van zijn vele pseudoniemen Battus) in het tijdschrift Raster en kan niet nalaten het verwijt van Ree na te praten.
De column van Ree heeft er wel voor gezorgd dat ‘Vijf meditaties over het toeval’ niet in een bundel of boekje is opgenomen; Mulisch maakt immers overal een boekje van.
Voor de compositie van De verteller werd geput uit vele bronnen. Idolen van de psycholoog door J. Linschoten is er misschien een van.
Linschoten (1925-1964) beoefende aanvankelijk de fenomenologie, de gangbare stroming in de filosofie van de jaren vijftig, begin zestig en nam met Idolen van de psycholoog 1964 in een afrekening met J.H. van den Berg afscheid van de fenomenologie.In de paragraaf Slotsom van zijn intrigerende boek staat: “Want taal en getal, tellen en vertellen, zijn loten van een stam: hetzelfde geldt voor Zahl, bezahlen en erzählen: voor tale, tell en talk. Er wordt vermeldt als gekonstrueerde oergermaanse vorm talõ, een inkerving zoals op een kerfstok. Het wezen van de taal is dat taal telt.
Het blijft om het even, of men de voorrang wil geven aan het verslag en verhaal, of aan het enumererend getal. In beide gevallen is sprake van opsomming: van een geheel of totaal, gelijk aan of gerepresenteerd door een eindige verzameling van termen (begrensde grootheden). In het eenvoudigste rekenkundige geval heet het opgetelde totaal de som. Het vertellende analogon is de slotsom.
De wijsheid van de Indo-europese taal wordt niet in de wijsbegeerte vervuld, maar in de wiskunde”.
Het is best mogelijk dat deze ideeën de gedachtewereld van De Verteller Mulisch hebben gevoed.
De invloed van de metabletica op Het seksuele bolwerk
Wanneer iemand een interpretatie van een boek geeft, ontkomt hij er niet aan, hoe breed de aanpak ook is, dat die eenzijdig is. Maar wanneer in een bepaalde visie een belangrijke bron helemaal niet wordt genoemd, ontbreekt er iets aan. Dat overkwam mij bij het artikel van Nico Laan over Het seksuele bolwerk van Harry Mulisch. Een troost voor Laan is dat niet alleen het artikel van hem aan deze bron voorbij gaat maar de hele Mulisch-interpretatie van literaire critici gaat mank door dit gebrek. Harry Mulisch en de metabletica van J.H. van den Berg. van den Berg H probeert deze lacune te dichten, zodat we een vollediger beeld in de interpretatie van het Mulisch’ oeuvre krijgen.

Het seksuele bolwerk is autobiografisch op metabletische grondslag.
In de studie van Nico Laan over Mulisch, Reich en de psychoanalyse in het tijdschrift Literatuur betoogt de auteur dat in Mulisch Het seksuele bolwerk het leven en werk van de psychoanalyticus Wilhelm Reich geanalyseerd wordt op een wijze die sterk doet denken aan de psychoanalyse. Dit is echter geenszins waar. Het uitgangspunt is niet de psychoanalyse maar de metabletica. Bij het verschijnen van het boek is het de critici volledig ontgaan dat het boek niet alleen over Reich, maar ook over Mulisch gaat en dat Mulisch de metabletische methode toepast op het leven van de enkeling. In dit geval op Mulisch zelf en dat aan de hand van een andere enkeling Wilhelm Reich.
Zo vallen Mulisch op een bepaalde dag uit zijn eigen leven vier gebeurtenissen toe. Vier voorvallen vielen samen en hadden ogenschijnlijk niets met elkaar te maken. De samenloop van omstandigheden wil Mulisch niet eenvoudig klasseren als toeval.
Een: het kopen van een Perzisch tapijt brengt hem er toe een boekhandel binnen te lopen waar hij, twee: een boek van Wilhelm Reich aantreft The functions of the orgasm drie: de ontmoeting met de weduwe van een leermeester in het occulte van twintig jaar geleden en vier een brief waarin de dood van Martha, een vroegere dienstbode in het ouderlijk huis van Mulisch wordt gemeld. Deze vier voorvallen op dezelfde dag werkten als katalysator voor Het seksuele bolwerk, gekopt in het eerste hoofdstuk onder ‘Tapijt- boek- weduwe -brief’.
Deze vier synchronismen gaan de metabletische eenheid vormen waaruit Mulisch aan zijn eigen leven zin geeft via Reich’s leven. Mulisch schrijft: “dit materiaal heb ik niet zelf uitgekozen en gemanipuleerd, maar het werd op tafel gelegd door een onbevooroordeelde medewerker: de werkelijkheid van die 4de november 1972.
Uit deze zin kan men bereid zijn te concluderen dat deze vier voorvallen op dezelfde dag waar gebeurd zijn en niet verzonnen. Of toch niet. Het kan een literaire vondst zijn.
De literaire alchemist heeft bij zijn handwerk formules nodig om greep op zijn materiaal te krijgen.
De formule ‘de werkelijkheid als medewerker’ wordt ook in De toekomst van gisteren gebruikt. Bij Mulisch is het waarschijnlijk zo: De werkelijkheid werkt met mij mee, ik help de werkelijkheid een handje.
Het tweede hoofdstuk gaat over Wilhelm Reich – de hele, de ware. Ook het leven van Reich wordt ingebed met het beginsel der gelijktijdigheid, bij voorbeeld: tegelijk dat men in Princeton met ‘energie’ bezig waren was Reich met energie bezig, en schrijft Mulisch “het is alsof Reich de mystieke schaduw vertegenwoordigt van de echte natuurwetenschap”. En een reis van Reich wordt vergeleken met die van Humbert Humbert met zijn Lolita, in Nabokov’s roman, ‘die in hetzelfde jaar verscheen’.
Op het eind van het tweede gedeelte integreert Mulisch Reich’s leven in dat van de zijne en zijn leven in dat van Reich. Hij schrijft “Het kan niemand ontgaan zijn dat mijn interpretatie van Reich’s leven overeenkomst vertoont met zijn eigen procédé bij het bewijzen van het psychologische biologische fysische bestaan van de libido: alles wat bruikbaar was werd ingeschakeld. Op het eind van dit hoofdstuk verknoopt Mulisch zijn leven met dat van Reich om na te gaan wat hij deed “op die ‘derde november 1957’ toen Reich stierf in het koude water van zijn vaders dood. De avond van die dag zat Mulisch in de Haarlemse schouwburg te kijken naar een opvoering van het toneelstuk ”Het water”.
Mulisch verleend zijn eigen en Reich’s leven zin met de metabletische methode. Hij schrijft dan ook op blz. 55 van Het seksuele bolwerk dat de metabletische Van den Berg voor hem een unieke leeservaring was.
In De verteller vertelt schrijft Mulisch; “gelijktijdigheid is altijd belangwekkender dan oorzakelijkheid”. Past Van den Berg de metabletische methode toe op onze collectieve geschiedenis, Mulisch past hem toe op zijn individuele geschiedenis. Mulisch vindt zich zelf en Reich unieke voorvallen.
De uitkomst van de metabletica, de leer van de synchrone voorvallen, is in het metabletisch onderzoek van Leven in meervoud: wij zijn niet gelijk en het resultaat van De Reflex is: “Het smalle pad moet men alleen gaan”.
Koren op de molen voor de eigenwijze Mulisch.
Mulisch’ pleidooi voor de enkeling krijgt extra lading in het derde laatste hoofdstuk van Het seksuele bolwerk dat moet functioneren als een zweepslag, wat zeg ik als een kanon, daar verhaalt Mulisch in dit zeer korte derde hoofdstuk over de Duitse sergeant Kunze die als enkeling bij de slag om Verdun het onneembaar geachte fort Douaumont inneemt. Verdwaalt in het niemandsland komt Kunze in het fort en neemt alleen de Franse soldaten gevangen.
Laan heeft met zijn stelling ongelijk. Dat staat ook in Het seksuele bolwerk op blz. 27 “Freud heeft van de roman geleerd, de roman kan nooit van Freud leren”.
Carl Gustav Jung is ook schuldig aan de zienswijze van Mulisch over synchrone fenomenen. Niet voor niets werd Harry Mulisch in 1988 het tiende en laatste deel van Jungs Verzameld Werk aangeboden door uitgeverij Lemniscaat. In de toespraak die Mulisch daarbij hield, gebruikt hij ook een synchrone gebeurtenis uit zijn eigen leven en gaat hij uitgebreid op Jungs ‘Synchronizität als ein Prinzip akausaler Zusammehänge’ in.
Het gaat mij om de ‘wirkungsgeschichte’ van de metabletica op Mulisch, maar uiteraard geeft het begrip ‘synchroniciteit’ van Jung zijn bijdrage aan Mulisch werkwijze.
Mulisch geeft zelf aan dat hij de metabletische methode toepast om het eerste deel van Het seksuele bolwerk met vier voorvallen de titel ‘Tapijt boek weduwe brief’ te geven. Jos Buurlage schrijft in Onveranderlijk veranderlijk: “dat deze titel ook Amsterdam had kunnen heten”. Hij heeft geen oog voor de metabletische methode en beseft niet dat Mulisch die in zijn literaire alchemie heeft opgenomen.
In het concept van Het seksuele bolwerk vormen vier voorvallen het beslissende gegeven om te zeggen Mulisch hanteert de metabletische methode. Synchroniciteit in de zin van Jung bestaat praktisch altijd uit twee voorvallen die coïncideren.
Ten aanzien van het begrip synchroniciteit van Jung is het interessant te constateren, dat begin jaren vijftig toen Van den Berg met de metabletische coïncidenties van onze gezamenlijke geschiedenis in gevecht was, Jung worstelde met het begrip ‘synchroniciteit’ en de rol daarvan in de persoonlijke levensloop.
De enige die ooit opperde dat de metabletische methode ook werkzaam zou kunnen zijn in de individuele geschiedenis was André Gielis en hij deed dat in zijn uitstekende licentiaatverhandeling De psychologie in het metabletisch denken van Prof. Dr. J.H. van den Berg uit 1977. Volgens Gielis zou het metabletisch denken toelaten de individuele geschiedenis als veranderlijk te begrijpen, maar Gielis geeft aan dat hij de metabletica een dimensie toekent die door de metabletica zelf nog niet is ontgonnen.
Uit het voorgaande mag blijken dat Harry Mulisch deze additie op een zeer indringende amusante wijze met Het seksuele bolwerk in 1973 al productief heeft gemaakt.
Het seksuele bolwerk is autobiografisch op metabletische grondslag.
Dit inzicht op Het seksuele bolwerk werd pas mogelijk nadat in mijn eigen leven het begrip synchroniciteit van Jung een samenwerkingsverband aanging met de metabletische methode. Deze synthese wordt als een logica der coïncidenties verder ontwikkeld.
De invloed van de metabletica op MEM
In MEM of De verhouding van literatuur en natuurwetenschap later opgenomen in Bij gelegenheid noemt Mulisch Van den Berg en probeert bovendien de metabletische methode te hanteren. Daar komt Mulisch te spreken over de geheimzinnige samenhang van Picasso Einstein Schönberg en het futurisme in het unieke lustrum van 1905-1910. Als mogelijkheid tot verklaring van deze gelijktijdigheden noemt hij de tijdgeest. Volgens Mulisch is het onloochenbaar dat de tijdgeest bestaat en vraagt hij zich af hoe men deze entiteit zich moet voorstellen. Daarbij, schrijft hij, beschikken we over Jungs synchroniciteit en de metabletica van J.H. van den Berg.
De unieke voorvallen Picasso Einstein Schönberg komen ook bij Van den Berg aan bod in verschillende delen van zijn metabletische reeks.
MEM is een vreemde titel. Volgens De bijbel als schepping door Weinreb betekent mem in het Hebreeuws ‘de aardse tijd’. Mem is majim, is water. Als letter met de waarde 40 (mem), geldt majim ook als een uitdrukking voor de tijd. Tijd wordt volgens de bijbel met de 40 gemeten, met het water ingevoerd. Tijd stroomt zoals water. In metabletica, de leer der veranderingen bezitten de belangrijke verbanden een tijdsduur van circa 40 jaar. Het zijn vooral, maar niet alleen, de metabletische incubatieperioden van circa 40 jaar die de metabletica voor het wetenschap bedrijven totaal onverteerbaar maken. De schrijver kunstenaar Mulisch kent deze handicap niet en refereert met MEM, 40 aan de ‘tijdgeest’ en daarmee waarschijnlijk aan de ‘metabletische incubatieperioden’.
Volgens Weinreb, geen onbekende voor Mulisch, kwam van het oude Hebreeuws teken voor ‘mem’ via het Griekse schrift onze M te voorschijn.
De M van Metabletica en Mulisch!
De invloed van de metabletica op Siegfried
Tom van Deel heeft in zijn bespreking van Siegfried in Trouw gelijk waar hij beweert dat de manier waarop Mulisch Hitler te lijf gaat, metabletisch is.

Siegfried:
een zelfportret?
In de metabletiek gaan feit en fictie samen. Daarmee is het voor Mulisch niet verbazingwekkend om met Hitler fictief af te rekenen en dus ook feitelijk.
Er is ook een concrete invloed aan te wijzen van de metabletica op Siegfried en wel via de column ‘Ingewanden’ van Hans Ree.
De aanleiding voor de column van Ree was dat Jan Timman een paar weken voor dat zijn column in NRC/H verscheen een toespraakje moest houden over De verteller. Hiervan doet Timman verslag met ‘Het geheim van Mulisch’ in zijn Een sprong in de Noorzee. Timman worstelde nogal met de inhoud, want ook na publicatie van De verteller vertelt is De verteller niet geaccepteerd nauwelijks begrepen, men vond het een boek van niets, maar Mulisch voelt zich verplicht aan deze publicatie.
Timman probeert het geheim van Mulisch te ontsluieren maar slaagt daar niet in. Jan Timman meent dat het geheim van Harry Mulisch alleen na vijftig jaar te onthullen is. Hans Ree hoort daarvan, neemt er geen genoegen mee en doet ook een poging met zijn column het geheim van Mulisch te doorgronden.
J.H. van den Berg begon zijn reeks wanneer we zijn Metabletica als een inleiding beschouwen, het is eigenlijk meer een terreinverkenning, met het metabletisch onderzoek naar de lotgevallen van het menselijk lichaam, daarin onderscheidt J.H. van den Berg Het gesloten lichaam dan Het geopende lichaam en tenslotte Het verlaten lichaam. Het verlaten lichaam uit Het menselijk lichaam deel II is zonder inhoud, leeg, niets. Dit niets illustreert Van den Berg aan de hand van de Röntgenfoto van Mevr. Röntgen en aan de platgeslagen neuzen van de figuren op het bekende doek van Picasso ‘Demoiselles d’Avignon’. Het commentaar, de metabletische duiding op deze illustraties daarvan is best in te komen dat die op een door en door ironische geest als Mulisch aanleiding geven tot hilariteit in De verteller zoals Hans Ree in zijn column ’Ingewanden’ aangeeft.
De column van Ree -zijn columns getuigen vaker dat de metabletica een eldorado voor het denken is- brengt het niets van Het menselijk lichaam in De verteller weer onder de aandacht van Mulisch en dat actualiseert het niets in het hoofd van Mulisch en gebruikt het in zijn boek over Hitler Siegfried.
Toen Ree dat door had herneemt deze in een andere column ‘Zandkorrel’ zijn thema over Mulisch en suggereert dat Mulisch met Hitler in Siegfried een zelfportret heeft getekend en omdat hij: “Net als Hitler, die in Siegfried onkenbaar is, omdat er Niets te kennen valt”. En schrijft Ree: ”Als klap op de vuurpijl past Mulisch een typering die Rudy Kousbroek eens van hemzelf heeft gegeven nu op Hitler toe: een wandelend harnas (ik onderdruk de neiging om de tekst als karkas te verwerken RH) met niets er in”. Bij navraag aan Ree wist die de referentie niet meer, maar onlangs las ik deze bij Kousbroek in De vrolijke wanhoop 1993 het hoofdstuk ‘Rudy Kousbroek in gesprek met Lien Heyting’
Volgens Mulisch in Zielespiegel is een biografisch feit in de kunst nooit meer dan de zandkorrel, die in een schelp een parel doet ontstaan. Volgens Ree is het best mogelijk dat zijn column ‘Ingewanden’ een mede aanzet is geweest tot Siegfried. Zijn column ‘Zandkorrel’ eindigt met: “Ik voel de trots van de zandkorrel die de schelp een parel heeft ontlokt”.
Nu we toch ‘niets’ aan het onthullen zijn, wil ik nog een andere inspiratiebron daar over openbaren.

Dat een auteur niet te koop loopt met waar hij zijn invallen vandaan heeft is een vanzelfsprekende zaak. Toch moet mij van het hart, dat het ‘niets’ dat Hitler zou zijn en als zodanig in Siegfried functioneert en in een tv-programma dit “Hitler als het niets” als een vondst van Mulisch zelf wordt gepresenteerd; is dit volgens mij ontleend aan een boek van Max Picard: Hitler in uns selbst. Dit boek is treffend in het Nederlands vertaald onder de titel De mensch zonder werkelijkheid.
Kern er van is, dat door het hele boek heenloopt; het abstracte niets van Hitler. Als illustratie volgt hier een citaat uit het boek van Picard: “het was nog nooit gebeurd dat een leidersgezicht niet eens een gebrek uitdrukt doch dat het in het geheel ‘niets’ uitdrukt en het verwonderlijke is dat Hitler niet terzijde stond op de achtergrond van zijn volk, doch: Hitler stond geheel vooraan, hij was voor allen zichtbaar, ja, vaak scheen het alsof hij feitelijk de enige was, -en wat was zichtbaar? NIETS, -het naakte niets. Dat was nog nooit gebeurd: dat iemand, die zich uitdoste alsof hij de wereldgeschiedenis zelf was, er niet eens als een masker uitzag, doch als het niets.”
Alsof Mulisch aan het woord is.
De Zwitserse filosoof Max Picard was voor en na de tweede wereldoorlog een bekendheid. Een aantal van zijn boeken zijn in de vijftiger jaren in het Nederlands vertaalt. Mede dankzij de grote fenomenoloog Buytendijk die zijn werk besprak om het voor de Nederlandse lezers onder de aandacht te brengen.
Buytendijk was redacteur wetenschap bij Het Spectrum, daaraan zal het wel te danken zijn dat De mensch zonder werkelijkheid bij deze uitgeverij is verschenen.
Iemand vroeg me in welk geschrift de uitspraak van Goethe ”In der Beschränkung zeigt sich der Meister” te vinden was. Uiteindelijk vond ik de verwijzing eenvoudig in de Winkler Prins. Maar in mijn zoektocht begin 2001 stuitte ik op het boek van Picard en met Siegfried nog vers in mijn hoofd kreeg het citaat van Picard zijn betekenis. Dit boek is vol met gedenkwaardige gedachten over het niets.
‘Gefundenes fressen’ voor de alleseter en het type intellectueel als Mulisch, die heeft dit boek ook door de originele titel Hitler in uns Selbst vast verorberd mede als voorbereiding op Het stenen bruisdsbed, door zijn enorme belangstelling voor die tweede wereldoorlog. Een uitspraak van hem in Mijn getijdenboek is: “Ik ben de tweede wereldoorlog’’. Het spreekt vanzelf dat Mulisch bij de geboorte van Siegfried dit boek opnieuw onder ogen kreeg. Documentatie en archief zijn bij Mulisch in perfecte staat. In de werkkamer; het universum van Harry Mulisch, is alles op zijn plaats. In het hoofdstuk Het zesde land van Het zevende land staat: “De boekenkasten zijn uitsluitend gevuld met werken, die ik voor de mijne nodig heb gehad of nog zal hebben”.
In een belegen en gedegen studie om Siegfried zijn plaats in het oeuvre van Mulisch te geven, zal men niet om De Verteller, het boek van Picard en de columns van Ree heen kunnen, maar men zal zeker ook de metabletische methode er in moeten betrekken.
Hitler als ’n vent van niks in Siegfried is door middel van Hans Ree, via Max Picard in het hoofd van Mulisch terecht gekomen en middels het ‘niets’ van Het menselijk lichaam vast gaan zitten.
Voor J.H. van den Berg is er in zijn publicaties Hooligans en Aids in Hitler een metabletisch gehalte. Dit komt goed tot uitdrukking in de volgende citaten. “In de huidige mentaliteit is alles geoorloofd als het maar ‘Hitler omgekeerd’ is”. “De westerse wereld laat zich in haar denken en doen negatief commanderen door de al dan niet uitgevoerde plannen van het Derde Rijk”. “Het westerse anti-racisme dateert van de Neurenberger rassenwetgeving in 1935 en van de Kristallnacht in 1938”. “Hitler’s racisme was fanatiek. Van de weeromstuit is het anti-racisme na hem fanatiek”.
Op grond van de metabletische incubatieperiode van circa 40 jaar die in de metabletische epidemiologie haar taak heeft, schrijft Van den Berg: “Aids uitgebroken eind 70 is circa 40 jaar na de Neurenberger rassenwetgeving in 1935 en van de Kristallnacht in 1938 het gevolg van het moderne, onredelijke, westerse anti-racisme”. En zegt: “Het zal tot het einde van onze twintigste eeuw duren voor Europa durft te denken dat Hitler’s optreden geheel en al tot het verleden behoort”.
Niet aan het eind van de twintigste eeuw maar in het eerste jaar van de eenentwintigste eeuw gaat Hitler tot het verleden behoren want dan verschijnt Siegfried. In Siegfried valt de verwekking van Hitler nauwkeurig samen met de geestelijke ineenstorting van Nietzsche, voor wie God dood is. Dit vormt in Siegfried het ontologisch Nietsbewijs.
Een groot oeuvre wordt gekenmerkt door samenhang.
De kiem voor Siegfried zit in De zaak 40/61, het boek van Mulisch over Eichmann, en ligt in de passage: “naderde hij (Nietzsche) al de geestelijke nacht die men “Hitler“ kan noemen en wiens eerste slachtoffer hij was”. Ook Mulisch is slachtoffer. Mulisch zegt in De zaak 40/61: “Eichmann is mijn vader en Ik ben het zelf”.
Mulisch wil onder geen beding vastgelegd worden en om zijn uitspraak te verzachten zegt hij later in het boek: “hij (Eichmann) hoort tot de twee of drie mensen, die mij veranderd hebben”.
Na De zaak 40/61 uit 1961 verandert Mulisch 40 jaar later in Siegfried, verschenen in 2001.
Het ideaal van Harry Mulisch in Voer voor psychologen uit 1961 is geheel niets te worden. In Siegfried is de nul de Hitler onder de getallen en is Hitler de manifestatie van het niet bestaande nietigende Niets.
Harry Mulisch is 40 jaar na het autobiografische Voer voor psychologen veranderd in Adolf Hitler.
In de toespraak van burgemeester Job Cohen bij de presentatie van de roman Siegfried in de Amstelkerk te Amsterdam kon Mulisch Cohen niet wijs maken dat hij Hitler heeft begrepen. Mulisch hoeft dat niet want hij is het zelf. Wanneer Harry Mulisch Adolf Hitler is dan is Hitler echt geschiedenis geworden en kunnen we er een literair spelletje mee spelen.
Maar grote literatuur is geen spelletje. In grote literatuur en in de metabletiek gaan feit en fictie samen, synchroon.

De robot op het omslag van
De verteller verleidde Rudy Kousbroek om Mulisch een harnas met niets er in, te noemen.
Een kleine coïncidentie
Het zijn de kleine dingen die het hem doen.
J.H. van den Berg had met Het menselijk lichaam een inspirerende werking op De verteller en via het stukje van Ree op Siegfried en toeval of niet, wilde Mulisch met Siegfried op het eind van de twintigste eeuw met Hitler en dus met zichzelf afrekenen, de jongste metabletische beschouwing uit de vorige eeuw van J.H. van den Berg ‘Enscenering van de dood’ in het tijdschrift ‘Kunst en wetenschap’ winter 2000/01 wordt ook met Hitler afgesloten.
De invloed van de metabletica op Voer voor psychologen
In een verhelderend artikel van Joost Zwagerman naar aanleiding van de 74-ste verjaardag van Mulisch roept deze Voer voor psychologen uit tot het ultieme Mulisch-boek. Zwagerman vergelijkt, zoals Mulisch, het oeuvre van de schrijver met de menselijke anatomie.
In het corpus van de schrijver, zijn oeuvre, daarin is de auteur verdwenen. Deze verdwijning strekt zich zelfs uit tot het omslag van de originele editie van Voer voor psychologen met een afbeelding uit De humani corporis fabrica van de anatoom Andreas Vesalius. Het is het eerste moderne boek over de menselijke anatomie.
Het artikel van Zwagerman heet dan ook ’Het lichaam van de schrijver De grote afwezige Harry Mulisch’.
In ‘Mulisch toegesproken’, waarin dit artikel werd opgenomen is dit verandert in ‘Het oeuvre als organisme’ De alomtegenwoordige afwezigheid van Harry Mulisch.
Zoals Vesalius het lichaam onteigende, zo ziet Mulisch zijn pennenvruchten.
Zwagerman vraagt zich af: ”Kunnen we de schedel van de schrijver lichten en mogen wij deze dekselse alchimist al lezend vierendelen, onttakelen en openwrikken? Het antwoord is natuurlijk: ja! Daarmee doen we niemand geweld aan, aangezien de schrijver, zo heeft Mulisch ons ingeprent, evenmin dan de schepper van hemel en aarde bestaat. Sterker nog; wij bewijzen er Harry Mulisch een dienst mee als we hem al lezend tot stof vergruizelen. Zwagerman vervolgt met een laatste citaat uit Voer voor psychologen: ”Mijn ideaal is het om geheel niets te worden-wat ik altijd al ben geweest. Ik ontdoe mij van de dwaling, dat ik besta”.
Mulisch intrigeert Zwagerman en blijft met deze tekst bezig. In zijn eigen bundel Het vijfde seizoen neemt hij zijn verhaal op met wijzigingen als ‘God in het diepst van het Niets’ Waarom Harry Mulisch niet bestaat’.
Mulisch God? Met als ‘coincidentia oppositorum’ Adolf Hitler. Mulisch staat nergens voor.
J.H. van den Berg leert ons in Het menselijk lichaam 1959 dat het lichaam door het magnum opus van Vesalius gedesincarneerd is en dat levert daardoor een voor de anatomie nieuw lichaam op waarin het wezen van de mens afwezig is.
Toen Mulisch door deze gedachten van J.H. van den Berg was geïnfecteerd en deze medebepalend waren voor zijn opvattingen over zijn schrijverschap, lieten ze hun sporen na in de vorm en inhoud van zijn boeken.

In de anatomie is het wezen van de mens verdwenen, zodat de wetenschap het tot object kan nemen; voer voor psychologen.
Ideeën door Mulisch onder meer verkregen dank zij
het metabletisch onderzoek
naar het menselijk lichaam.
In de ruimtelijke weergave van zijn website kunnen we steeds op andere wijze door zijn oeuvre gaan. Op verschillende plaatsen spreekt Mulisch in Voer voor psychologen over ‘nieuw lichaam’ waar hij zijn geschriften mee bedoeld.
Het hoofdstuk waar J.H. van den Berg in Het menselijk lichaam zijn ideeën over Vesalius uiteen heeft gezet is getiteld ‘Een nieuw lichaam’.
De naam van de website over van Mulisch is ‘Het nieuwe lichaam’. Het gaat niet te ver om de benaming van de website in dit kader te plaatsen. Bij Mulisch is men genoodzaakt dit niet uit te sluiten.
Mulisch in de ban van J.H.van den Berg, hij versierde zijn Voer voor psychologen en Wenken voor de jongste dag met een plaat uit De Fabrica van Vesalius, we kunnen veilig aannemen dat dit onder inspiratie van Het Menselijk Lichaam, waarin deze Fabrica onder meer (zowel bij Mulisch als Van den Berg is er altijd meer) een centrale rol heeft, is gedaan.

Mulisch zegt in een tv programma, naar aanleiding van het verschijnen van Voer voor psychologen bij de presentatie van zijn boek, dat het omslag net zo belangrijk dan de inhoud is. Het belang van de verpakking kan niet zwaarder aangeduid worden, daarom verzorgt hijzelf de jasjes, waarin zijn boeken worden uitgegeven.
Onder inspiratie van de ‘quality paperback’ uit Amerika maakte hij met Het stenen bruidsbed de eerste Literaire Reuzenpocket voor De Bezige Bij. Deze vondst wordt nog altijd door de uitgeverij toegepast. De meeste Nederlandse romans verschijnen nog steeds op het formaat (12,5 x 20 cm) van Het stenen bruidsbed.
Toetssteen Piranesi
Een toetssteen gebruiken is heel toepasselijk om Mulisch te peilen. Schrijven is voor Mulisch een alchemistisch transmutatie proces en hij bekent: “ik schrijf als een alchemist”.
De toetssteen is de steen der wijzen van de alchemisten waarmee metaal in aanraking moest komen om in goud te veranderen. De toetssteen is een bepaalde variëteit van zwarte kiezellei om het gehalte van goud vast te stellen. Het is de oudste essayeermethode.
Om de these over ‘De invloed van J.H. van den Berg op Mulisch nader te toetsen, nog verder uit te werken, gaan we ons met Piranesi bezig houden.
Zoals we op de website over Mulisch kunnen zien en in de verfilming van De ontdekking van de Hemel bezit Piranesi een grote impact op Mulisch.
Mulisch mocht in 1997 een tentoonstelling in twaalf zalen, van het Amsterdams Stedelijk Museum inrichten. In een zaal (Mulisch spreekt van kabinet) waren een aantal prenten uit de Carceri vertegenwoordigd. De tentoonstelling heette zielespiegel. In de spiegel van de ziel van Mulisch nemen de Carceri een belangrijke plaats in.
Eerst laten we zien dat De Carceri van Piranesi in Metabletica van de Materie door J.H. van den Berg een hoofdrol voor het rampjaar 1740 spelen. Het accent van de ruimtelijke ordening ligt in Metabletica van de Materie op binnen en buiten en de architectuur is dan de kunst van een grens tussen binnen en buiten. In een bepaalde zin is deze grens in het midden van de achttiende eeuw er niet meer. De architectuur had niet langer een eigen stijl, maar bouwde in neostijlen met als gevolg het binnen (het innerlijk) liep over met gevoeligheid en het buiten (de ruimte) was mateloos zonder einde.
Piranesi legde deze verandering neer in zijn etsen Carceri. Afgebeeld zijn; eindige tegelijk onbegrensde ruimtes. De kerkers zijn niet-euklidisch van aard. Niet-euklidisch wil zeggen: niet rechtlijnig en schuine hoeken, zodat evenwijdige lijnen in het verlengde uit elkaar gaan of elkaar raken. Dan ontstaat de ruimtecrisis met de niet-euclidische meetkunde en zijn equivalenten pubertijd en neurose en een sceptische levenshouding. Dit zijn geen innerlijke crisissen maar ruimte crisissen, de puber, de scepticus en de neuroticus weten niet, hoe ze hun ruimte moeten innemen, want de ruimte is geen eenduidige zaak meer.
De Carceri-etsen maken deze ruimtecrisis zichtbaar.
In het metabletisch gelid van Metabletica van de Materie is plaat VII van de serie Carceri exemplarisch.
Het is juist deze ets die in de werkkamer van Mulisch aan de muur hangt. Schriftelijk vastgelegd in ‘Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap’, opgenomen in De zuilen van Hercules daar bevestigt Mulisch; “op de marmeren schoorsteenmantel, onder de zevende Carcere van Piranesi”.

In 1968 verscheen Metabletica van de Materie. Zo rijst de vraag is betreffende ets in Mulisch werkkamer daar terecht gekomen na 1968?

Metabletica van de materie:
Het interessantste boek van de vorige eeuw.
In de radiovraaggesprekken vanwege zijn 75e verjaardag met Onno Blom ‘Mulisch en het woord‘ vertelt Mulisch dat hij ergens in de jaren zestig in het bezit is gekomen van deze ets.
Mulisch kende het werk van Piranesi reeds daarvoor, hij noemt hem in Het stenen bruidsbed 1959. Wie weet heeft hij hem wel leren kennen door Vestdijk die in ‘Berijmd palet’ een gedicht over de etsen van Piranesi schreef. Dit gedicht staat in Zielespiegel de catalogus van de tentoonstelling.
Mulisch was bekend met Piranesi. Hij leest de grote betekenis in Metabletica van de materie. Met de cognitieve sleutelwoorden van Metabletica van de Materie om ruimte met ‘binnen’ en ‘buiten’ ‘eindig’ en ‘oneindig’ aan te duiden.
Metabletica van de materie laat Mulisch niet los. Hij laat Piranesi In De ontdekking van de hemel een rol spelen. De niet wereldse aard van de Piranesi’s gravures zijn bijzonder geschikt om als herkenning van Quinten’s droom van de burcht te dienen. Themaat laat de etsen aan Quinten zien nadat deze vraagt: “Ís er een gebouw, dat wel een binnenkant heeft maar geen buitenkant”? De droom van de burcht is een architectonisch complex zonder begin of einde.

De zevende ets van Piranesi’s Carceri,
die centraal staat in Metabletica van de materie van J.H. van den Berg
en in de werkkamer van Harry Mulisch.
In Metabletica van de materie heeft de centraal perspectief de betekenis voor de ruimte om te voorkomen dat er nog plaats voor God zou zijn. Dat blijkt uit het volgende citaat: blz. 311 uit Metabletica van de Materie “Hoe wil God in een wereld terug kunnen komen “. “Om te beletten dat God toch neerstrijkt tussen de dingen wordt de wereld volgezet. Dat vermag de centrale perspectief”.
De vraag in Ontdekking van de hemel op blz. 221 “Wil je misschien zeggen, dat sindsdien niets meer zich van de hemelse kant door het perspectivische verdwijnpunt naar deze wereld kan wringen?” is volgens mij een reactie op, als het ware een gesprek met de metabletische betekenis van de perspectief in Metabletica van de Materie.
We komen tot de volgende gegevens. Piranesi speelt een rol in De ontdekking van de hemel 1992. In de collectie van de tentoonstelling Harry Mulisch –Zielespiegel, van 7 december 1997 tot en met 15 february 1998 in het Stedelijk Museum is er een prominente plaats voor de Carceri.
Sinds maart 2000 is er de website over Mulisch door zijn uitgever gemaakt. Men koos bewust niet voor een opzoek-site. Het moest een tocht door Mulisch geest worden, vergelijkbaar met de manier waarop hij denkt. De internetsite is geënt op Piranesi. Het bouwwerk van Mulisch schrijverij wordt op zijn site weergegeven door wiskundige verhoudingen van Piranesi’s fantasie architectuur.
Nu kunnen we een verfilming, behalve de rechten, niet op conto van Mulisch zetten maar de zevende Carceri-ets is de spil, de Quintenessens van The Discovery of Heaven. Op deze ets staat een trap maar ook een soort spil. Vanuit deze ets, de hemel, opereren God (in de film wordt Hij niet met name genoemd, in het boek heet hij de chef) Gabriel en de engel.
Quinten ontdekt de hemel met deze ets – de schetsen van Quinten zijn de voorstudies van Piranesi voor de Carceri – na zijn vraag: is er ook een gebouw, dat wel een binnenkant heeft maar geen buitenkant?
Het slot van de film wordt weergegeven met de zevende Carceri-ets.
Hier voeg ik een persoonlijke noot toe. Bij zijn tentoonstelling was er gelegenheid om een boodschap aan Mulisch achter te laten. Ik heb daar gebruik van gemaakt om hem op de centrale betekenis van de 7e ets te wijzen met de vraag of hij dat te danken had aan de metabletica van Van den Berg. Uiteraard krijg je toch geen antwoord van Mulisch. Maar het is wel mogelijk dat mijn briefje een extra aanzet was om er zijn website en de verfilming er mee te modelleren. Dat dit niet uit de lucht gegrepen is kom ik met een redenering à la Mulisch. De frequentie waarmee Quinten zijn architectonische droom koestert loopt parallel met zijn bezoeken aan Emmen (mijn woonplaats RH) en mijn achternaam is Hemel.
De bewering is niet dat Mulisch het inzicht van mij nodig had, maar wanneer je iets volledig wilt doen en je bent er voor 99% toe in staat dan is 1% niet veel, maar toch essentieel. Laten we zeggen Mulisch was er klaar voor dankzij een seintje van Hemel uit Emmen.
Dit is zeer suggestief, maar is misschien toch niet bezijden de waarheid.
Hoe kwam hij er anders dan, in hemelsnaam aan?
In een informeel overleg heeft Mulisch natuurlijk Krabbé het idee aan de hand gedaan om de ets van Piranesi te gebruiken als beeld van de hemel.
Het is typerend voor de ongrijpbare Mulisch om in Het voorbestemde toeval te formuleren dat hij het erg knap vond dat ze de Piranesi-ets voor het beeld van de hemel hebben genomen.
Mulisch is in de wereld der literatuur lang niet de enige met invloed van J.H. van den Berg. Philip Marcus onderging eveneens de metabletische geest van J.H. van den Berg, dat duidelijk te zien is in zijn publicaties; hij noemt hem een aantal malen expliciet. Zijn Het verlossende woord is gestructureerd met de drie prenten van Dürer Melencolia I-De ridder, de duivel en de dood- De heilige Hieronymus in zijn cel.
J.H. van den Berg heeft geen school gemaakt, maar in een aantal publicaties heeft Jacques Claes zich als een leerling gemanifesteerd. In metabletische zin is De wieg van het verdriet zijn beste boek. Wat de 7e Carceri-ets voor Metabletica van de materie betekent, zo doet Melencolia I dat voor De wieg van het verdriet. Het zou me niet verbazen dat Mulisch en Marcus met dit boek van Claes bekend zijn. Zijn Zielespiegel zijn tentoonstelling wordt in het eerste kabinet met de drie Dürer gravures begonnen. Een nadere indicatie zou kunnen zijn dat Mulisch in de catalogus “een boek van verpletterende kunsthistorische geleerdheid noemt Saturn und Melancholie van Klibansky, Panofskij en Saxl”. Deze publicatie origineel in het Engels, Mulisch geeft de voorkeur aan het Duits, is de belangrijkste bron voor Claes in zijn interpretatie van Melencolia I.
Hier en daar werd er door literaire critici terloops gewezen op invloed of verwantschap van Mulisch met J.H. van den Berg. In een bespreking van Het verlossende woord door Philip Marcus schreef Mels de Jong in Vrij Nederland dat Van den Berg grote invloed heeft op de occulte auteur Harry Mulisch. In de studie over Mulisch van Jos Buurlage Onveranderlijk veranderlijk 1999 komt de zin voor “Voor de Nederlandse psychiater Van den Berg toont Mulisch in Het seksuele bolwerk enige waardering”. Uit het bovenstaande mag blijken dat dit voor mij een understatement is.
Het is in deze samenhang wel aardig om te vertellen dat een zoon van Van Ruler, de praatjesmaker voor de radio die in De verteller optreedt, Dick van Ruler, geïnspireerd door wat Van den Berg over de Carceri releveerde, een vuistdik boek in drie delen van samen 911 pagina’s, in cassette, louter over de Carceri-etsen publiceerde onder de titel Verbeeldingen van werkelijkheid 1992.
Toeval en overeenkomst
In een samenloop van omstandigheden is toeval eenvoudig. Coïncidentie heeft meer inhoud en Synchroniciteit is complex. Deze drie aanduidingen zijn bij Mulisch en Van den Berg een eigenschap van de werkelijkheid.
Toen J.H. van den Berg in het laatste kwartaal van 1996 aan de universiteit van Leuven zijn oeuvre in 18 gastcolleges nog eens de revue liet passeren, werden ze gebundeld onder de titel Geen Toeval.
In de voortgang van zijn oeuvre, na Metabletica, Het menselijk lichaam en Leven in meervoud drongen de gelijktijdigheden zich steeds nadrukkelijker aan Van den Berg op zodat het op een metabletische methode uitliep. Metabletica van de materie verschenen in 1968 is dan ook het eerste boek dat met de metabletische methode geconcipieerd is. In tegenstelling tot wetenschap moeten we daarbij niet aan een exacte methode denken maar geeft het meer een denkraam, een raamwerk van waaruit gedacht wordt.
Circa 1970 zien we ook bij Mulisch dat toeval coïncidenties synchroniciteit een grotere rol gaan spelen. Het wil mij voorkomen dat kennisname van Metabletica van de Materie daar vooral debet aan is. Heeft de metabletische methode van Metabletica van de Materie uit 1968 een bepaald effect op Mulisch gehad? Ik veronderstel dat dit inderdaad zo is. Maar Mulisch verwerkt dit natuurlijk op zijn onbescheiden manier. Hij omschrijft Toeval dan ook in Het seksuele bolwerk als “het valt mij toe”.
Mulisch wil in toeval meer zien. Dit meer willen zien verhaalt hij in zijn necrologie over Godfried Bomans (in Herinneringen aan Godfried Bomans 1972). In een samenspraak met Bomans schrijft hij: ”Wat zijn dat voor brandpunten van feiten die zich steeds op elementaire ogenblikken van het leven voordoen, die door hun optreden een ogenblik als elementair constitueren”?
In deze necrologie krijgt de betekenis van toeval ontslag, de overweging van albestierende wereldgeest wordt weggestuurd. Mulisch komt uit bij de opvatting dat zulke tekenen inderdaad bestaan maar alleen in zover zij gezien worden. Worden ze niet gezien dan zijn ze er ook niet. Het zijn geen feiten, maar betekenissen. Ze zijn een menselijke creatie. Mulisch is met dit laatste niet werkelijk tevreden en ook Bomans is daarover steeds minder tevreden. Daar slaat de titel van zijn necrologie over Bomans op: ’Hij minder en minder’.
Dat de metabletische methode in de geest van Mulisch zijn werk doet in zijn stuk over Bomans schijnt volgens mij door in het laten vallen van de in de metabletiek zo beladen term ‘synchroon’.
Synchroon denken liet ook ‘n spoor na in ‘Mijn getijdenboek’, daar aapt de vader de grimassen van de nog jonge Harry na. Harry Mulisch ziet diens handelswijze gelijk aan Reich. Hij noteert daar als synchronisme: “Wilhelm Reich ontwikkelt in diezelfde jaren een analoge therapie”.
Mulisch is niet tevreden met toeval als menselijke creatie en dat is logisch wanneer het waar is wat hij in Het seksuele bolwerk verhaalt dat de werkelijkheid als een onbevooroordeelde medewerker aan zijn zijde is.
De oplossing heeft hij bij de hand met een prachtige beschrijving van de werkelijkheid; van chaos als potentiële creativiteit. In ‘Vijf meditaties over het toeval’ in de geschiedenis stelt Mulisch de chaos volgens de tweede wet van de thermodynamica –als een soort betreurenswaardige eindtoestand- naast de chaos in een turbulente, ver uit evenwicht zijnde situatie. Deze blijkt het begin te kunnen zijn van spontane creativiteit, van het volstrekt nieuwe. Hij beschrijft dit aan de hand van een ontdekking die hij heeft gedaan tijdens de turbulente vredesdemonstratie in november 1982, toen
honderdduizenden mensen door Amsterdam trokken. Plotseling, zegt hij, ontstond in de menigte ‘de kreet’, een bovenpersoonlijke entiteit, die zich ritmisch voortplantte, zich als het ware van de mensen bedienend, hun diverse bewegingen tegelijkertijd ook ordenend.
Volgens Cees Zwart in zijn rede Manager in turbulente tijden waar het bovenstaande aan ontleend is ontneemt Mulisch zich de kroon op zijn conclusie. Zwart is van oordeel dat gezegd moet worden, dat hetgeen Mulisch beschrijft eigenlijk de inslag is vanuit het domein van de eeuwigheid in het gebied van tijd en ruimte. De goddelijke vonk.
Het scheelt niet veel of Mulisch komt bijna tot geloof in God. Mulisch zou zeggen: moge God mij daarvoor behoeden.
Er is overeenkomst in werkwijze tussen Mulisch en Van den Berg. Het procedé voor bewijs in Het seksuele bolwerk is: alles wat bruikbaar was, werd ingeschakeld. Deze expansieve werkwijze stemt overeen met wat Van den Berg zegt in zijn exposé over de metabletische methode in Metabletica van de Materie: “Alles is welkom. Niets, maar dan ook werkelijk niets wordt van tevoren uitgesloten”.
Opvallend is in de betrekking tussen Mulisch en Van den Berg, dat in De ontdekking van de hemel waarin toeval – The Discovery of Heaven wordt geafficheerd met Toeval bestaat niet. Overal is een reden voor. – een grote rol heeft, God de handen van de schepping terugtrekt en dat Van den Berg met Metabletica van God’ 1995 juist een nieuw ingrijpen in de nabije toekomst van God verwacht.
Humor
Hans Ree brengt in ‘Mulisch als humorist’ in de bundel Mulisch toegesproken onder de aandacht dat in de boeken van Mulisch het komische altijd een grote rol speelt. De titel van een belangrijk werk in de Mulisch-interpretatie is De weg van het lachen door Frans de Rover.
Ree zegt dat Mulisch zeer geestig is.
Humor brengen we niet zo snel in verband met het werk van Van den Berg, maar voor mij bestaat er geen oeuvre zo vol ‘esprit’ met geest als het metabletische van J.H. van den Berg.
Wat is humor. Het patroon van de humor bestaat uit het waarnemen van een situatie of idee in op zichzelf logische maar in onderling strijdige referentie kaders. Humorisme associeert onderling strijdige geestelijke structuren met het doel een botsing tot stand te brengen met als gevolg een Haha-belevenis.
Humor correleert in deze hoedanigheid met de metabletica. Door integratie van unieke voorvallen die nooit eerder met elkaar zijn verbonden is de metableticus in staat er een nieuw inzicht, een nieuwe formule aan te onttrekken; de metabletische eenheid; om dit als een Aha-belevenis te ervaren.
Mulisch is geen narcist maar een ongelooflijke humorist.
De metabletiek getuigt van een gelovige ernst, maar laten we ons niet vergissen; in betrekking tot metabletische samenhangen heeft men wel gesproken over ‘metabletische grapjes’.
Volgens Ree kunnen de grappen van Mulisch alleen maar bestaan doordat ze tegelijk ook ernst zijn. Overeenkomstig met Metabletica van God dat spreekt van het ernstige, dikwijls ludieke, niet zelden frivole spel van mens en God
Humor en metabletica geven zicht op het scheppingsproces. Humor wil origineel zijn laat stereotype denkgewoonten, denkketens achter zich.
Illustratief daarvan vindt de humor met de bevrijdende lach plaats wanneer ze gelijktijdig betrekking heeft op twee gebeurtenissen die helemaal niets met elkaar te maken hebben.
De metabletische methode werkt eigenlijk op gelijke wijze wanneer ze erin slaagt inzichten uit de coïncidenties te bevrijden.
Toen het eerste boek van Mulisch was gepubliceerd is Mulisch in lachen uitgebarsten. Dat gebeurde weer toen De ontdekking van de hemel een enorm succes werd.
In de metabletische reeks is veel verfijnde humor te proeven. Aan alles is merkbaar dat het met veel plezier is geschreven.
Als we ze in dit opzicht vergelijken zeggen we:
Mulisch is de man van de schaterlach
Van den Berg is de man van de glimlach.
Natuur
Een overeenkomst die niet zo voor de hand ligt van Mulisch ten opzichte van Van den Berg is die van hun verhouding met de natuur.
In de metabletica speelt de natuur een grote rol. Het is een grote samenstellende kracht. Expliciet in Koude rillingen en De kop van de bromvlieg. Impliciet is ze bijna in alle publicaties aanwezig. Voor de persoon Van den Berg nog meer. Hij legt tuinen aan, kweekt kevers, heeft een prachtig herbarium. Men kan hem met alle recht bioloog noemen.
‘Geprägt’ vanaf zijn vroege jeugd door de natuur om het ouderlijk huis in Deventer.
Bij Mulisch lijkt de natuur ver weg. Wat natuurbeschrijvingen van Israël en hij had een jaar of tien een buitenverblijf in een bosrijke omgeving. Hij schijnt niet veel met natuur te hebben. In ‘Het vijfde land’ van Het zevende land doet hij hier over een indrukwekkende ontboezeming die we van Mulisch niet hadden verwacht. Hij brengt zijn natuurervaringen in de omgeving van Haarlem van kind en jongen ter sprake, waarvan het slingerend patroon van de paden in die natuur nog steeds in zijn herinnering gebrand zijn. Hij heeft het over zijn botaniseertrommel en flora. Maar het ging vooral om een plek de Heilige Vijver. Iets volstrekt onbenoembaars dat in de omsloten ruimte hing, een mysterieuze presentie, alsof de vijver niet in deze maar in een andere wereld zijn tehuis had. Mulisch dacht dat hij de enige was met zo’n bovennatuurlijk bezit.
De Heilige Vijver was zijn hoogst persoonlijke geheim, waar hij met niemand over sprak. Dat deed hij pas in Het zevende land.
Mulisch en Van den Berg schijnen ten opzichte van de humor en de natuur meer gemeenzaam te hebben dan op het eerste gezicht lijkt.
Mulisch en Van den Berg als morosoof
Er is een groot onvermogen om De compositie van de wereld van Mulisch en de metabletica van Van den Berg naar waarde te schatten. Het is een onbetamelijke taxatie van Mathijs van Boxsel om beide auteurs de twijfelachtige eer te gunnen ze als morosoof in zijn boek op te nemen. Weet men ze niet te plaatsen dan bergen we ze maar op in een ‘Encyclopedie van de domheid’.
Het is dan ook kenmerkend voor Mulisch om tegen deze opname te protesteren en geen toestemming te geven uit zijn werk te citeren.|Er zit wel een vilein bijsmaakje aan deze weigering. Nicolaas Kroeze was in Bericht aan de rattenkoning nog wel waardig genoeg om uit het werk van Kroeze te citeren (uit een telegram) en aan hem aandacht te besteden. Nu is Kroeze gediskwalificeerd als randdebiel en wil Mulisch zich niet encailleren met mensen als Kroeze door met hem in het boek Morosofie te staan.
Mulisch is een ijdeltuit die naast zijn schoenen is gaan lopen, is een van die mensen die een vergunning menen te hebben om met alles en iedereen de draak te steken, behalve wanneer ze het niet goed uitkomt en zelf in het geding zijn, dan wil men wel in de beker spuwen waaruit ze hebben gedronken.
Onze potentiële Nobelprijswinnaar is groot geworden. Dit is geen loze kreet. Mulisch neemt zichzelf bijzonder zere neus en krijgt in Voer voor psychologen de Nobelprijs op tachtigjarige leeftijd. Daar dient het comité zich in 2007 dan ook aan te houden.
De aanwezigheid van J.H. van den Berg in Morosofie is nog veel dubieuzer.
Hoe slordig medewerkers van NRC/ Handelsblad in hun betrekking tot Van den Berg te werk gaan komt men te weten uit het volgende verhaal.
Atte Jongstra besprak het boekje Twee wetten. De twee hoofdwetten van de thermodynamica 1999 van Van den Berg in zijn serie Onderkast voor NRC/H. In deze bespreking wijst Jongstra opnieuw, -evenals destijds in zijn bespreking van Hooligans, om zijn stukje vol te krijgen herhaalt hij zonder verificatie wat hij toen in 1990 heeft geschreven- op het verband tussen de ‘cul de Paris’ in de mode en de Frans-Duitse oorlog. Nu heeft Van den Berg in zijn imposante oeuvre veel ‘vergeten verbanden’ metabletisch geduid, maar juist het verband tussen ‘cul de Paris’ en Frans-Duitse oorlog niet. J.H. van den Berg stipt in het voorwoord van Hooligans een mogelijk verband slechts aan, terwijl Jongstra veel méér suggereert, zodat dit in geen geval een goed voorbeeld kan zijn van de zogenaamde betrekkingswaan, waar Van den Berg aan zou lijden. J.H. van den Berg schrijft zelfs in zijn voorwoord dat het moeite zal kosten verantwoord vast te leggen welk nieuw ‘gezicht’ de Frans-Duitse oorlog zou kunnen krijgen door de ‘cul de Paris’ er in te betrekken.
Deze foute weergave gaat vervolgens echter wel een eigen leven leiden, want volgens Dirk van Delft, die Twee Wetten ook voor NRC/H, maar nu in de wetenschapsbijlage besprak –Jongstra besprak het in de boekenbijlage- was het verband tussen ‘cul de Paris’ en Frans-Duitse oorlog de reden voor Matthijs van Boxsel om J.H. van den Berg in zijn bundel Morosofie op te nemen.
Zo te lezen schrijft Mattijs van Boxsel Atte Jongstra na en Dirk van Delft schrijft Matthijs van Boxsel na, dit lijkt me een zeer wetenschappelijke attitude of is overschrijven iets voor de dommen?
Van Boxsel steunt verder alleen nog op Piet Grijs om Van den Berg in Morosofie op te nemen. Hij citeert uit de bespreking van Grijs ‘Parallellen snijden geen hout’ (eveneens in NRC/H) over Metabletica van de Materie waarin Piet Grijs op zijn wijze totaal de draak steekt met Van den Berg, voorwaar geen juiste getuige om de waarde van het metabletisch oeuvre te peilen. Het motto waaronder Morosofie het licht zag “Producenten van volslagen nonsens zijn zeldzaam in Nederland” is ontleend aan deze bespreking. Niet door eigen studie, maar op gezag van anderen neemt van Boxsel Van den Berg in zijn encyclopedie van de domheid op. Van Boxsel zegt Grijs ook na dat het een eenmanstheorie zou zijn, in 1968 kon men dat nog wel zeggen, maar sindsdien beslist niet meer.
Van Delft noemt Van den Berg “een oude bekende in de pseudo-wetenschap, hij leunt in zijn afwijzing niet alleen op De encyclopedie van de domheid, maar ook op De encyclopedie van de pseudo-wetenschap van Hulspas en Nienhuys waarin Van den Berg ook een plaatsje kreeg.
Naar Hulspas en Nienhuys “berust de metabletica op oppervlakkige, simpelweg onjuiste historische voorbeelden, op semi-filosofische wijze aan elkaar gebabbeld”. Als dit argumentatie moet zijn om de metabletica te diskwalificeren, dan is de encyclopedie van de pseudo-wetenschap geleuter voor bij de borrel.
Dit verhaal wilde ik naar aanleiding van de recensie van Van Delft wel in NRC/H plaatsen. Na een telefoontje met Dirk van Delft die me ’n beetje de hoop gaf het als ingezonden brief in NRC/H te zetten, stuurde ik dit hem toe. Het werd niet opgenomen.
Waarschijnlijk heeft hij het wel doorgespeeld aan Van Boxsel, misschien via Jongstra.
De gegevens waarop van Delft zich baseerde zijn ontleent aan de brochure ‘Morosofie’ een begeleiding van de Cursus Domheid, die Matthijs van Boxsel in juni 1999 hield ter gelegenheid van het 77e lustrum van de Rijksuniversiteit Groningen. In zijn boek Morosofie 2000 zijn de opmerkingen over het voorbeeld van Jongstra en de aantekening van Piet Grijs dat de metabletica een eenmanstheorie zou zijn, verdwenen.
Ik vermoed dat de ingezonden brief aan van Delft daar debet aan is.
In 1974 verscheen De metabletische methode van S.Parabirsing.
In 1975 toetste M.Jacobs de metabletische methode aan de hand van de geschiedenis der botanica en vond ze wetenschappelijk legitiem.
De afgelopen jaren verschenen de volgende bundels:
The changing reality of modern man 1984
Metabletische perspectieven 1996
Metabletica en wetenschap 1997
Metabletics:J.H. van den Berg’s Historical Phenomenology 1999
Hub Zwart: Boude bewoordingen
Ondanks dat Van den Berg geen school heeft gemaakt, hanteerden diverse mensen de metabletische methode. De Belg Claes en de Amerikaan Romanyshyn profileerden zich daarin het meest.
Metabletica als begrip kreeg zijn plaatsje in de VanDale en vond zijn weg naar de Winkler Prins.
Van welke morosoof pseudo-wetenschapper of onderkast-figuur kan bovenstaande gezegd worden? Het lijkt wel afgunst en pesterij om een oeuvre zo te behandelen. Dit laat vooral zien het totaal onvermogen om hem juist te plaatsen.
Kortom het is duidelijk dat hij niet thuis hoort in de onderkast niet in de morosofie niet in de pseudo-wetenschap. Door hem daar in te plaatsen wil men de wezenlijke inhoud van zijn werk elimineren, want inherent aan de metabletische methode is het persoonlijk appèl aan het morele geweten en zoals bekend hebben zogenaamde objectieve wetenschappers en niet alleen zij daar een broertje dood aan, immers de wetenschap heeft geen geweten.
Het getal
Mulisch en Van den Berg-ooit getallenhistoricus genoemd- hebben een grote liefde voor getallen en data. De manie van Mulisch voor data erfde hij van zijn vader volgens Mijn getijdenboek, daar schrijft Mulisch naar aanleiding van de overlijdensdag van zijn vader en dat het uitgerekend die dag moest zijn, “Ik suggereerde een samenhang van een soort, die zich voor anderen dan ik mag vervluchtigen in het woord ‘toeval’.
In Koude Rillingen over de rug van Darwin bekende Van den Berg “Ik houd van jaren liefst data”. Bij beiden is er een grote behoefte om de tijd te markeren. Van den Berg had de gewoonte in zijn boeken de data aan te geven waarin hij in het bezit van het betreffende boek is gekomen. Mulisch dateert steeds alle boeken die hij koopt of krijgt. Waarom markeren? Het lijkt er op dat het markeren gereedschap is om bijzondere dingen te stempelen. Om onderscheid te kunnen maken in het belang van het bestaan. Het getal is een vangijzer om inhoud aan de gebeurtenissen van het leven te geven. Door het dateren is betekenis van tevoren vastgesteld.
In de metabletische methode zijn data gedenktekens als signalement om vergeten verbanden te herinneren.
Getallen bezitten naast een numerieke waarde ook een zinnebeeldige verklaring, gebaseerd op de relatie tussen een getal en een object. Het getal is soms karakteristiek voor bepaalde gebeurtenissen en eigenschappen van mens en ding. In een betrekkelijke context wordt het object door getallen vervangen.
In het zichtbaar maken van deze betrekkingen was Charles Hendrik van Os daar als een 20e eeuwse Pythagoras een meester in.
Nu we toch inspiratiebronnen aan het blootleggen zijn; zowel Mulisch als Van den Berg zijn beïnvloed door het werk van C.H. van Os.
Van den Berg studeerde wiskunde en woonde colleges van Van Os bij en nam hem zo op in zijn metabletisch concept.
Mulisch zocht in 1951 contact met de dichter Gerrit Achterberg (de fanbrief waarin dit voorgesteld wordt is gepubliceerd), die in zijn gedichten veelvuldig gebruik maakt van begrippen in woorden uit de wetenschap en dat vooral dankt aan de publicaties van C.H. van Os.
Via Achterberg die hij nadien leerde kennen nam hij kennis van het werk van Van Os, die hij slechts eenmaal noemt in Bericht aan de rattenkoning tussen het rijtje beroemdheden als Cusanus Kepler Newton enzovoort. Dit is in het citaat van een telegram van de toen Mulisch zelf beroemd was, verketterde Nicolaas Kroeze.
In Getal en Kosmos 1947 verenigt van Os mathesis en wijsbegeerte. In zijn Moa-Moa 1950 wordt een totaalvisie gegeven en de identiteit tussen het moderne denken en de primitieve wijsheid betoogd.
Door onze tanden en handen bezitten we begrip over de wereld. Begrip door het gebit. Verstand komt tot stand door middel van tand en hand. Via de vingers van de hand leerden we tellen, vandaar het tientallig stelsel. Het tellen brengt een orde in de dingen aan. Deze orde structureert het geheugen waarmee we deze orde verder vertellen. Het getal schept een verhaal.
Met het pagina nummer sanctioneert het getal het verhaal.
Mulisch met zijn literaire alchemie en Van den Berg met zijn metabletische methode brengen een nieuwe orde aan.
Want Van den Berg en Mulisch zijn verwant in hun waardering voor de essentiële betekenis van het getal. Bij beiden is het gebruik van jaartallen gewaagd, soms meer ‘een rad van avontuur’.
Zwagerman brengt deze belangrijke correlatie voor wat Mulisch betreft naar voren in het citaat: ”Want in de wereld van Harry Mulisch kloppen altijd alle dwarsverbanden die hij legt, al die door getallen aaneengeregen feiten en fenomenen. Dat kan geen toeval zijn. En dat is het ook niet; in Mulisch’wereld maakt zo’n dwarsverband deel uit van zijn literaire alchemie”.
Literaire alchemie en Metabletische methode
1.Harry Mulisch en J.H. van den Berg werken een omniumtheorie van deze wereld uit.
Mulisch met zijn literaire alchemie en Van den Berg met de metabletische methode.
Ze begonnen daarmee, hoe kan het anders, tegelijkertijd mee.
J.H. van den Berg begon zijn wetenschappelijke publicaties in 1946.
Dan promoveert hij op zijn proefschrift De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie.
Harry Mulisch begon zijn literaire carrière in 1947.
‘De kamer’ is het verhaal waarmee Mulisch debuteerde op 8 february 1947 in Elseviers weekblad.
2.Metabletica, de leer der veranderingen, is een door Van den Berg nieuw gevormde term, afgeleid uit het Grieks metaballein en betekent veranderen, de herkomst ligt in de scheepvaart; het omgooien van het zeil om een andere richting te kiezen.
De relaties tot de ruimte, de tijd, de ander en het lichaam veranderen en komen simultaan tot stand.
Het oeuvre van Mulisch is een voortdurend pleidooi voor verandering. Het hoofdthema is de noodzaak van constante verandering. Zijn favoriet in de filosofie is daarom Heracleitos.
In de apex van De compositie van de wereld is het doel bereikt: geen enkel waarneembaar gegeven uit de basis bestaat nog; alles is veranderd.
3.In de metabletica vinden veranderingen niet geleidelijk plaats. Symptomatisch hiervoor is het bestaan van breuken, omslagjaren, die als scharnieren functioneren.In de voortgang van de geschiedenis gaan de veranderingen simultaan met hink-stap-sprongen.
Mulisch houdt niet van planmatig werken en pleit voor grillige ontwikkelingen waar het toeval alle kans moet krijgen.
4.In De Reflex van J.H. van den Berg is de brede weg die tot het verderf leidt voor de massa en voert het smalle metabletische pad naar het leven en wie het leven zoekt gaat alleen.
Ook Mulisch stelt zich individualistisch op, zonder bondgenoot en opereert alleen.
5.In de metabletica weerspiegelen unieke voorvallen een groter geheel. De unieke voorvallen dienen als vergrootglas om van ‘vergeten verbanden’ een ‘metabletische eenheid’ te maken.
Voor Mulisch is zijn bericht aan de rattenkoning het wereldprobleem weerspiegeld in een glazen stuiter.
6.In de metabletica gaan na Metabletica van de materie maatschappelijke processen de boventoon voeren.
In de tweede helft van de jaren zestig gaan in het oeuvre van Mulisch politieke en sociale ontwikkelingen domineren.
7.Het gaat in de metabletica om getallen in de zin van jaartallen en data, maar ook om rekenkunde en meetkunde. De niet-euclidische meetkunde is immers toetssteen van Metabletica van de materie met het doel de basis ervan te doorgronden. Het fundament toont zich uiteraard in één getal. De kortste definitie voor de psychiater-metableticus J.H. van den Berg van psychotherapie luidt: vermenigvuldiging met de factor √-1.
De Verteller 1970 vat schrijven op als een vorm van rekenen. De verteller bedient zich eveneens van één getal voor de systematische opbouw van De Verteller en Mulisch leent het absolute getal van Mallarmé 3628800; het produkt van de getallen 1 tot en met 10; het mathematisch beeld van het Al of het Absolute.
8.Metabletica van de materie uit 1968 is het belangrijkste werk in de metabletische reeks. Hierin wordt de metabletische methode geopenbaard in combinatie met de constatering dar er geen rechte hoeken en lijnen zijn.

Bericht aan de rattenkoning is het sleutelwerk tot het oeuvre van Mulisch.
Alle thema’s komen hier samen.
Zijn hele repertoire van technieken
tot metamorfose worden er benut.
9.In de metabletische methode en de literaire alchemie worden vele verschijnselen samengebracht die niets met elkaar te maken hebben en juist vanwege dat feit zeggen
deze voor het eerst samengekomen verschijnselen iets wat ze nog nooit gezegd hebben. Aangezien alles met alles kan worden samengebracht is er enorm veel te zeggen. De zeggingskracht der dingen wordt zo groot ageert zo enorm in het brein dat om deze volte recht te doen beide auteurs een grote behoefte krijgen te imponeren omdat ze te veel te vertellen hebben.
10.Synchroniciteit wordt na 1968 de harde kern van de metabletica. De Reflex 1973 is een voorbeeld van een dia-synchrone aanpak; Koude rillingen over de rug van Darwin 1984, het werk dat zich het meest terugtrekt op een jaartal (1859) is exemplarisch voor een syn-diachrone aanpak. In Gedane zaken is alles wat gelijktijdig is welkomgeheten en omarmt en in de metabletische methode definitief geannexeerd. Het hele werk houdt zich sinds begin zeventig met metabletica bezig. Voordien produceerde Van den Berg ook teksten op psychiatrisch terrein en sommigen waren fenomenologisch van strekking.
Omstreeks 1970 gaat toeval het werk van Mulisch structureren. Naast De verteller pregnant in De aanslag, De ontdekking van de hemel, Siegfried, De gezochte spiegel.
11.Gaat metabletica over de Schepper van Hemel en Aarde, het werk van Mulisch draait om de auteur als schepper van een oeuvre die toeval toepast zo als het hem uitkomt. Niet voor niets is ‘God in het diepst van het niets’ uiteindelijk de titel van Zwagerman’s artikel in zijn boek.
Synchronismen komen als metabletische coïncidenties van de Schepper de Grote Synchronisator.
Apotheose
Ondanks de vele overeenkomsten is er fundamenteel verschil. Het doel dat Mulisch propageert is de permanente metamorfose. In tegenstelling tot Van den Bergs metabletica. De leer der veranderingen bestaat bij de gratie van de Onaantastbare Onveranderlijke, die in normen en waarden van het verbond in het Oude en Nieuwe Testament gelijk blijft, waarvan Mulisch niets moet hebben.
In een vergelijking tussen de literaire alchemie en de metabletische methode kunnen we zeggen dat het werk van J.H. van de Berg een moralisme is en dat het werk van Mulisch amoreel is.
Dit waar te maken gaat als volgt. Het omslag van Wenken voor de jongste dag is afgebeeld met ‘Overpeinzingen van een skelet’ en deze plaat is zeer treffend, voor hoe Mulisch zijn werk ziet. Een geraamte die een doodskop bestudeert. Dit is illustratief voor het denken van Mulisch. Bij voorbeeld in De hond en de Duitse ziel.
heb Hitler begrepen, hij is niets. Dus heb ik niets begrepen”. Alleen niets kan niets begrijpen. Mulisch begrijpt Hitler als niets, dus Mulisch is niets.
Harry Mulisch is in zijn eigen zwarte gat gevallen en niemand kan hem helpen.
De plaat van Vesalius is ook onderwerp van de intrigerende publicatie door de anatoom/ embryoloog Jaap van der Wal: De verloren dood Op zoek naar een verloren lichaam. Metabletische actualiteit op de snijzaal.
Via De verloren dood krijgen we het juiste inzicht.
In het volgende citaat ziet van der Wal: “zijn verhandeling als een wetenschapsfilosofische poging om het leven te redden van onze moderne dodende blik op dat leven. Het gaat over sterfelijkheid met verwarring als thema. Een skelet dat als een dode denker in gepeins verzonken is over wie weet zijn eigen schedel. De afbeelding toont een onmogelijkheid; een dood skelet dat zich als een levende gedraagt”.
Dit verwarrende tafereel, maar ook de spiermannen in de Fabrica, draait om een ondubbelzinnige tekst op de sokkel waartegen het skelet leunt. Op menig reproductie wordt de bijbehorende tekst weggelaten, ook op Wenken voor de Jongste Dag. We stellen dat Mulisch het eens is met deze omissie.
Waarom wordt deze tekst weggelaten?
Van de inhoud van deze tekst willen we niets weten, die heeft bij de dood in onze ogen niets te zoeken. Die hoort daar niet, is in strijd met ons moderne leven, die een hekel aan de dood heeft. Het refrein is Hein maar zingen doen we dat niet meer. Niemand gaat nog met vreugde de hemelse gewesten in.
Behalve in een metabletische excursie.

De tekst luidt: “Vivitur ingenio, caetera mortis erunt”, in vrije vertaling bij van der Wal: “Het is door ons genie, door ons talent dat wij voortleven, al het overige is des doods”.We zijn onze genius kwijt, die past ons niet meer.
Vesalius had hem nog net, maar is reeds bezig afscheid van hem te nemen.
Met alchemie was geen goud te maken.
Het resultaat van de literaire alchemie is niets.
Men blijft in het zwarte gat. Er rest de eeuwige verdoemenis. Ja in deze grote literatuur gaat men ten gronde.
Herhaaldelijk zegt Mulisch in het openbaar niet in God te geloven.
En wie niet in God gelooft heeft zijn verstand niet.
Ondanks dat hij zich in zijn hele leven met het hogere heeft bezig gehouden, bezit hij zelf niet de capaciteit van het hogere, daar is zijn constitutie niet geschikt voor, want hij heeft een afwijking, de ziekte van Bechterev; een ziekte van hooggeleerde heren, voor wie alles vaststaat tot in de wervelkolom toe, dankzij deze handicap kan hij niet omhoog kijken. Dus kijkt hij omlaag naar het zwarte gat en ziet ‘niets’.
De aandrijver van de metabletische methode is DE GROTE SYNCHRONISATOR GOD.
We kunnen onze genius terugvinden in de congenialiteit van de metabletiek, want metabletica is psychotherapie op Goddelijke grondslag.
In welke mate onderging Harry Mulisch de invloed van de metabletica van
J.H. van den Berg?
Eigenlijk is dat niet te bepalen, maar mijns inziens is die er wel terdege.
Daarmee kan en wil ik geenszins afbreuk doen aan de oorspronkelijkheid van Mulisch. Het staat voor mij vast, ik wil slechts onderstrepen dat het werk van Van den Berg, waarin de synchroniciteit, de ongelijkheid, die van ons een unieke enkeling maakt, Mulisch beïnvloedt.
Deze eigenschappen kregen daardoor op zijn minst een extra klemtoon.
Maar de thema’s; het niets, Piranesi, toeval, de macht van het getal; waar de invloed het meest zichtbaar is waren reeds vóór de inloed van Van den Berg bij Mulisch aanwezig.
Om op het metabletische spoor gezet te kunnen worden, moet je er al op zitten.
Men zou het werk van Mulisch en Van den Berg een synchronisme kunnen noemen.
Maar er is aan dit synchronisme geen metabletische betekenis te geven.
De lont van een metabletische coïncidentie wordt door een Goddelijke vonk aangestoken.
Bij de agnost Harry Mulisch is deze lont niet in staat vlam te vatten.
Bibliografie:
J.H. van den Berg: Metabletica 1956
Het menselijk lichaam 2dl. 1959/1961
Leven in meervoud 1963
Metabletica van de Materie 1968
Dieptepsychologie 1970
De reflex 1973
Gedane zaken 1977
Koude rillingen 1984
Hooligans 1989
Aids 1991
Metabletica van God 1995
Ik denk dat voetbal verdwijnt-Interview in Reformatorisch Dagbl. 1997
Twee wetten 1999
Architectuur, Millenium en Centennium in Jan Tanghe stichting 2000
Enscenering van de dood in ‘Kunst en wetenschap’ 2001
De kop van de bromvlieg 2001
Jos Buurlage:Onveranderlijk veranderlijk 1999
Matthijs van Boxsel:Morosofie brochure 1999
Morosofie 2001
Jacques Claes: De wieg van het verdriet 1983
Job Cohen: Siegfried.Een zwarte idylle in Mulisch toegesproken
Tom van Deel:Hitller in een literaire proefopstelling in Trouw 2001
Dirk van Delft: Warme metabletica NRC/H 1999
Wim van Dullemen: Het octaaf BRES 179
Hans Düting: Over Harry Mulisch Kritisch nabeeld 1982
Roel van Duyn: Het witte gevaar. 1967
Het Beste uit Provo. 1967
Andre Gielis:De psychologie in het metabletisch denken van Prof J.H. van den Berg 1977
Goethe: Faust
Piet Grijs: Parallellen snijden geen hout NRC/H 1969
(Battus) Vertellers tellen niet ver Raster nr.100 2002
Peter Heij: Buytendijk en Van den Berg over bewegen Doctoraalscriptie 1989
Joseph Heller:Catch 22
Sluitingstijd
Terug naar Coney Island
J.Huibers: Waarom rugklachten 1982
Hulspas/Niebhuys: Tussen waarheid en waanzin. Een encyclopedie der pseudo-wetenschappen 1997
Mels de Jong:Alleen begrensd door het oneindige in Vrij Nederland1995
Atte Jongstra: De wereld gaat ten onder aan gebrek aan orde en tucht. Vrij Nederland 1990
Metabletica NRC/H 1999
Carl Gustav Jung: Synchroniciteit
Klibansky, Panofskij,Saxl: Saturn und Melancholie. 1994
Rudy Kousbroek: De vrolijke wanhoop Anathema’s 8 1993
Nico Laan:Mulisch, Reich en de psychoanalyse in Literatuur 1999
J.Linschoten:Idolen van de psycholoog 1964
Philippe Marcus:Het verlossende woord 1995
Marita Mathijsen: Het voorbestemde toeval 2002
Harry Mulisch: De kamer 2000
Het stenen bruidsbed 1959
Voer voor psychologen 1961
De zaak 40/61 1961
Wenken voor de jongste dag 1967
Bericht aan de rattenkoning 1966
De verteller 1970
De verteller vertelt 1971
Hij minder en minder in Herinneringen aan Godfried Bomans 1972
Het seksuele bolwerk 1973
Mijn getijden boek 1975
De compositie van de wereld 1980
Oedipus als Freud-Volkskrant 1988
Oedipus als Freud 1988
Vijf meditaties over het toeval in NRC/H 1989
De zuilen van Hercules 1990
De ontdekking van de hemel 1992
Bij gelegenheid 1995
Nieuwe Revu Millenium-bijlage-1997
Zielespiegel 1997
Het zevende land 1998
Siegfried 2001
De hond en de Duitse ziel 2002
Harry Mulisch Mijn getijdenboek Onno Blom Zijn getijdenboek 2002
C.H. van Os: Getal en Kosmos 1947
Moa-Moa: 1950
Max Picard:De mensch zonder werkelijkheid 1956
Hans Ree: Rode dagen en zwarte dagen 1993
Ingewanden NRC/H 1997
Holland verlicht 1998
Zandkorrel in NRC/H 2002
Mulisch als humorist in ‘Mulisch toegesproken’2002
Metableticus J.H. van den Berg en het patroon in de materie NRC 5.2.2005
Frans de Rover: Harry Mulisch ontdekt 1995
De weg van het lachen 1987
Dick van Ruler:Verbeeldingen van werkelijkheid 1992
H.C. Rűmke: Over Frederik van Eeden’s koele meren des doods 1964
Jan Timman: Een sprong in de Noordzee 2002
Jaap van der Wal: De verloren dood 2000
Friedrich Weinreb: De bijbel als schepping 1963
Joost Zwagerman: Het lichaam van de schrijver De grote afwezige Harry Mulisch in NRC/H 2001
Het oeuvre als organisme-in Mulisch toegesproken
God in het diepst van het Niets. Waarom Harry Mulisch niet bestaat in Het vijfde seizoen 2003
Cees Zwart:Manager in turbulente tijden 1990
Hub Zwart: Boude bewoordingen 2002
The discovery of heaven. Film 2001
Mulisch en het woord. Radio 2001